woensdag 20 december 2017

Kunstenaar Andries Botha:

‘Sommige dingen zijn te belangrijk om te schipperen’

(eerder verschenen in Maandblad Zuid-Afrika, oktober 2017)

In Culemborg, de geboortestad van Jan van Riebeeck, is een nieuw restaurant geopend: Andries eten & drinken. Het etablissement is vernoemd naar de Zuid-Afrikaanse beeldend kunstenaar Andries Botha en een deel van de opbrengst gaat naar twee goede doelen die door Botha zijn opgericht. Een gesprek met een bijzondere man.

Onthulling olifantje Andries Eten & Drinken, 10 juni 2017
Foto: Elize Zorgman

 In juni was Andries Botha (1952) in Nederland voor de officiële opening van Andries eten & drinken. Dit sfeervolle restaurant is gevestigd in een voormalige graanschuur in het historische centrum van Culemborg. Tijdens de opening werd op het terras van Andries een olifantje onthuld, gemaakt van oude autobanden. Sinds zijn inzending voor de Kunsttriënnale ‘Beaufort’ in 2006 – negen levensgrote olifanten van drijfhout op het strand van De Panne – is de olifant Botha’s handelsmerk geworden. En de keuze voor gerecyclede materialen illustreert zijn zorg over de toekomst van de aarde en zijn vaste besluit om daar door inhoud én vorm van zijn werk uiting aan te geven.

Kunstenaar en activist
‘Ik heb altijd al belangstelling gehad voor het globale ecosysteem’, zeg Botha. ‘Maar pas sinds een jaar of tien ben ik er echt van doordrongen dat de aarde in grote problemen verkeert en dat wij mensen daar de oorzaak van zijn. Vervolgens ben ik me gaan afvragen wat ik als creatief persoon zou kunnen doen om de aandacht te vestigen op onze planeet en de crisis waarin die zich bevindt.’
Want Botha is niet alleen kunstenaar, maar ook activist. In de jaren tachtig gebruikte hij zijn artistieke werk om te protesteren tegen de apartheid. ‘Ik kom uit een conservatieve Afrikaner familie’, verduidelijkt hij. ‘Toen ik jong was, moest ik in het reine komen met mijn eigen relatie tot het apartheidssysteem. Een immoreel systeem, dat ik domweg had geërfd. Ik had me kunnen beperken tot het domein van het symbolische, de intellectuele ruimte van atelier en galerie. Maar ik wist dat dát privilege niet opwoog tegen de realiteit van wat er in Zuid-Afrika aan de hand was, en dat ik het systeem via mijn werk moest uitdagen.’ Het einde van de apartheid heeft Botha niet minder strijdvaardig gemaakt. Zijn maatschappelijke interesse is echter verschoven naar kwesties als ras, identiteit, kolonialisme en dekolonisatie.

Kunstwerk van Andries Botha op het strand bij De Panne (B.), 2006
Foto: Wikimedia Commons


Terug naar Afrika
In de olifant heeft Botha een symbool gevonden waarin hij zowel zijn maatschappelijke engagement als zijn zorg om de planeet gestalte kan geven. Hij kwam op het idee om iets met olifanten te gaan doen toen hij kort na Kerst 2005, onderweg naar Danielskuil in de Noord-Kaap, langs de kant van de weg een bordje zag staan met het opschrift ‘Wondergrot’. Aanvankelijk wilde hij doorrijden, maar de naam liet hem niet los. Na vijf kilometer draaide hij om en reed terug. Een man met duidelijke Khoisan-trekken nam hem mee de berg op. Omdat het al begon te schemeren, pakte hij Botha’s hand en leidde hem de grot binnen. Het plafond hing zo laag, dat ze kruipend verder moesten. De man haalde een aansteker tevoorschijn, en in het licht van het dansende vlammetje zag Botha een rotstekening van een witte olifant. Meteen daarna knipte de gids het licht weer uit. Er viel nog veel meer in de grot te zien, maar voor hem was de olifant het enige wat ertoe deed.
Botha moest aan het witte olifantje in de Wondergrot denken toen hij een paar maanden later werd uitgenodigd voor de Beaufort Kunsttriënnale, een driejaarlijkse beeldententoonstelling langs de Belgische kust. Maar wat ging hij dóén met het enorme stuk strand dat hem was toegewezen? Gedwongen om snel te besluiten beloofde Botha dat hij negen olifanten zou maken.
De olifant, vertelt Botha, is in verschillende Zuid-Afrikaanse culturen een archetype. Bij de Khoisan en zwarte Zuid-Afrikanen geldt de olifant als een symbool van macht en overvloed. Een prijszanger zal de koning bijvoorbeeld ndlovu noemen, ‘olifant’. Ndlovu is ook een veel voorkomende naam onder zwarte Zuid-Afrikanen. In de mythologie van de hindoes uit Durban, Botha’s woonplaats, is Ganesh, de godheid met het olifantenhoofd, al net zo belangrijk.
Botha gaat ervan uit dat de eerste inwoners van zuidelijk Afrika in een symbiotische relatie met olifanten leefden. De aanwezigheid van deze grote dieren beschermde hen tegen roofdieren, en ook konden olifanten hen naar water leiden.
Sindsdien is de zogenaamde menselijke beschaving steeds verder opgerukt, ten koste van andere levensvormen. Het is op deze plaatsen, waar de oorspronkelijke natuur verloren is gegaan, dat Botha middels zijn kunstwerken de herinnering aan de olifant levend wil houden. ‘Stel je eens voor dat we weer zij aan zij met olifanten zouden leven. Als er een olifant in je achtertuin staat, word je vanzelf gedwongen om een stapje opzij te doen. Je wordt gedwongen om tolerant te zijn, om verschil en complexiteit te aanvaarden. Zo’n olifant herinnert ons eraan dat we niet alleen aan onszelf moeten denken, maar dat we ook voor de planeet moeten zorgen. Anders gaan we er allemaal aan.’
Voor Beaufort koos Botha dus voor negen levensgrote houten olifanten. Op die strook strand bij De Panne kwamen land en zee samen. De zee herinnerde hem aan avontuur, aan mensen die erop uit trokken om de wereld te koloniseren. Maar zijn eerste indruk viel niet mee. ‘Ik kom uit Durban. Daar zijn we gewend aan zonovergoten gouden stranden. Durban is het paradijs! Opeens stond ik hartje winter op een strand in België. Die grauwe flats aan de boulevard, die lange rijen caravans... Verschrikkelijk! Alles herinnert hier aan Leopold II, de koning die Belgisch Congo had onderworpen. En vóór De Panne was ik bij het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren geweest. Eén van de pronkstukken van het museum was in die tijd een reusachtige opgezette olifant. En daar omheen waren nog veel meer afgehakte olifantspoten, schedels en slagtanden te zien. Dat bracht me op het idee om mijn olifanten om te draaien: in plaats van ze het strand op te laten lopen, liet ik ze terugkeren naar zee. Terug naar Afrika.’

Andries Botha / Foto: Elize Zorgman

Een metafoor, geen zin
De olifanten bij De Panne waren gemaakt van drijfhout, het olifantje in Culemborg bestaat uit oude autobanden. Het past bij Botha’s zorg voor de planeet dat hij voor zijn kunstwerken uitsluitend gerecyclede natuurlijke materialen gebruikt. ‘Ik zal nooit een boom omhakken. Als ik het hout van zo’n boom opnieuw gebruik, pak ik hem zijn leven niet af, maar geef ik hem een nieuw leven. Er is een relatie tussen de artistieke metafoor en het materiaal. Als je een idee hebt, moet je daar het geschikte materiaal bij vinden, en vervolgens moet je een manier vinden om ermee te werken. Het idee dat een beeldhouwwerk per se van steen of brons moet zijn, is niet meer van deze tijd.’
Botha steekt zijn mening over het milieu of over de toestand in de samenleving niet onder stoelen of banken. En hij laat het niet bij woorden. Als beeldend kunstenaar geniet hij inmiddels internationaal aanzien. Een groot deel van zijn inkomen schenkt hij aan goede doelen, zoals de door hem opgerichte Human Elephant Foundation. In de naam van deze stichting klinken de onderlinge afhankelijkheid van menselijke en natuurlijke ecologie én de bijzondere band tussen mens en olifant al door.
Botha is zich bewust van het gevaar prekerig over te komen. ‘Ik hoop dat mijn werk een metafoor blijft en geen zin wordt’, zegt hij. ‘Dat het op een gedicht lijkt en niet op een essay.’ Toch neemt hij geen blad voor de mond. ‘Er zijn bepaalde dingen in het leven waar je je, naarmate je ouder wordt, niet meer voor verontschuldigt. Als je echt iets te zeggen hebt, wil je dat je boodschap gehoord wordt, luid en duidelijk. Sommige dingen zijn te belangrijk om te schipperen. Als ik iets belangrijks te zeggen heb –  over een onderdrukkend regime, over de planeet, over genderdiscriminatie – dan wil ik confronteren, ik wil het erin wrijven. Maar ik hoop het te doen op een manier die tegelijk mooi en provocerend is, en die ruimte laat voor jouw eigen interpretatie.’


Andries eten & drinken, Buiten Molenstraat 7, Culemborg. Tel. 0345-515297. Website: www.andriesetenendrinken.nl. Het eethuis wordt geëxploiteerd door de Stichting Andries. Deze stichting ondersteunt twee projecten die door Andries Botha zijn begonnen: het vrouwenmuseum Voices of women in Durban (www.amazwi-voicesofwomen.com) en een opleidingsproject voor (wees)kinderen in Hoedspruit (www.zingelaulwazi.org.za). Foto’s en video’s van Botha’s werk zijn te vinden op http://andriesbotha.net.










zondag 10 december 2017

Interview met dichteres Diana Ferrus:


‘Mijn werk draait om genezing’


(Maandblad Zuid-Afrika, juni 2017)

Dichteres en voordrachtkunstenares Diana Ferrus is een formidabele vrouw. Op dinsdag 27 juni is ze te beluisteren in het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam.

Vijfentwintig jaar lang combineerde Diana Ferrus (1953) haar schrijfwerk met een administratieve baan aan de Universiteit van Wes-Kaapland (UWK). Ze hield ervan om de studenten te helpen. Maar zodra ze een paar minuten vrij had, kroop ze achter de computer om te schrijven. Sinds december 2016 is ze met pensioen en kan ze zich volledig op het schrijven toeleggen. Ze wil meer gaan optreden, meer gaan reizen en meer nieuwe mensen ontmoeten. Dit bezoek aan Nederland markeert het begin van een nieuwe fase in haar leven.

Diana Ferrus, Kwaku 2015 / Foto: Elize Zorgman

(Maandblad Zuid-Afrika, juni 2017)

‘Wie zijn wij eigenlijk?’
Diana Ferrus verwierf internationale bekendheid met ‘I’ve Come To Take You Home’, haar gedicht over Sarah Baartman, met een vernederende uitdrukking ook wel de ‘Hottentot Venus’ genoemd (zie MZA, december 2016). Ferrus identificeert zich sterk met deze Khoisan-vrouw die met haar opvallende geslachtskenmerken rond 1800 furore maakte in de theaters van Londen en Parijs. De politieke omwenteling in Zuid-Afrika begin jaren negentig had in Ferrus – toen zo’n veertig jaar oud – de behoefte gewekt meer over haar herkomst te weten te komen. Tót die tijd had ze zichzelf gedefinieerd als ‘kleurling’, als ‘bruin’. Ze was gevormd door Steve Biko’s black consciousness movement. Volgens Biko werd iedereen die niet wit was, onder de apartheid onderdrukt. Voor Ferrus was het dan ook logisch dat bruin en zwart in de Struggle samen optrokken. Maar begin jaren negentig kwam er opeens allerlei nieuwe informatie beschikbaar en rees bij Ferrus voor het eerst de vraag: ‘Wie zijn wij eigenlijk?’
Ferrus is opgegroeid in Worcester, een dorp met een lange verzetstraditie. Na de afschaffing van de slavernij waren veel voormalige slaven van de boerderijen naar het dorp getrokken. Bij sommige nazaten leefde de geest van verzet volgens Ferrus nog sterk. Haar eigen grootmoeder van vaderskant was het kleinkind van een slaaf geweest. ‘Zij had die vonk van verzet in zich’, herinnert Ferrus zich. ‘Zij leerde ons dat we trots moesten zijn.’
Ferrus heeft veel onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de familie Ferrus (of Ferus) en de Februaries, een slavenfamilie uit Mozambique. Haar overgrootmoeder aan moederskant was een Ierse vrouw, Sarah Tait, die een kind moet hebben gekregen van een Khoi of een zwarte. ‘You chose a life of poverty / over one of domination’, schreef Ferrus over haar. En: ‘Your offspring grow scattered – / they consume the land – / their shades a multitude of colours, / not fixed, not one.’
Daarnaast heeft DNA-onderzoek aangetoond dat er een flinke dosis Khoisan-bloed door Ferrus’ aderen vloeit. Die gedachte was aanvankelijk verwarrend, omdat ze zich nog levendig kan herinneren hoe zij en haar maatjes als kinderen mensen met Khoisan-trekken uitlachten. Geïnternaliseerd racisme, beseft ze achteraf. Ze moest leren om ook dit deel van haar verleden te omarmen. ‘Ik wil alles hebben: het christendom, de Khoi, de slaven… Het is allemaal van mij en ik ga er niets van weggooien.’

Thuiskomst van Sarah Baartman
In 1998 kreeg Ferrus een beurs om Vrouwen- en Genderstudies te studeren aan de Universiteit Utrecht. Tijdens een van de modules van (inmiddels hoogleraar) Rosemarie Buikema ging het over seksualiteit in de koloniën. Daardoor moest Ferrus terugdenken aan de geschiedenis van Sarah Baartman. Ze had op de UWK al over Baartman gehoord, en vanaf 1996 waren er verschillende pogingen gedaan (niet alleen door president Nelson Mandela, maar ook door Griekwa-leider Cecil le Fleur) om haar stoffelijke resten naar Zuid-Afrika te laten terugkeren. Ferrus was toen nog bezig met haar zoektocht naar haar culturele wortels. Ze had een sterk gevoel van verlies over alles wat ze nooit geweten had omdat het voor verborgen was gehouden. Ook had ze heimwee naar Zuid-Afrika, en daar kwam bij dat haar moeder in juni 1997 overleden was. ‘Inmiddels was het juni 1998, een jaar later, en ik dacht: als ík op mijn 44e mijn moeder nog steeds zo mis, hoe moet Saartjie zich dan wel niet gevoeld hebben? Opeens hoorde ik een stem, in het Engels, die zei: “I want to go home, I want to go home…” Toen schreef ik die eerste regel: “I’ve come to take you home”, zonder te weten hoe profetisch die woorden zouden zijn.’ De eerste keer dat ze het gedicht voordroeg, was tijdens college, samen met het gedicht over de Ierse Sarah Tait, en met Ennio Morricone’s muziek uit Once Upon A Time In The West als achtergrond. Die dag merkte ze wat voor impact het gedicht op luisteraars heeft. ‘De studenten huilden van ontroering’, grinnikt ze. ‘Zelfs Rosemarie Buikema en professor Rosi Braidotti pinkten een traantje weg.’
Terug in Zuid-Afrika wilde iedereen het gedicht horen. Een van haar voordrachten inspireerde beeldend kunstenaar Willie Bester om een beeld van Sarah Baartman te maken. Het gedicht belandde, met een foto van het beeld erbij, op internet, en werd daar opgemerkt door de assistent van een Franse parlementariër, Nicholas About. About bereidde een wetsvoorstel voor om Saartjies stoffelijke resten te kunnen repatriëren. De Franse wet bepaalde namelijk dat alle artefacten in Franse musea aan de staat behoorden. About zou het gedicht op 29 januari 2001, samen met zijn voorstel, in het Franse parlement voorlezen. Op de 28e ging Ferrus met een groep vrienden naar het dak van een hoog gebouw in Kaapstad. Ze brandden kruiden, speelden op hun gitaren, fluiten en trommels en zongen en baden voor een goede afloop. De volgende dag werd Abouts voorstel unaniem aangenomen, en het gedicht ‘I’ve Come to Take You Home’ werd opgenomen in het Franse wetboek. Ferrus was erbij toen Saartjies lichaam aan de Zuid-Afrikaanse autoriteiten werd overgedragen. Ze herinnert zich nog hoe ze die ochtend toekeek terwijl het overschot werd verpakt. ‘Het hing daar vol skeletten, groot en klein, van mensen die allemaal nog naar huis moeten.’
Sarah Baartmans stoffelijke resten zijn op 9 augustus 2002 op een heuvel buiten Hankey in de Oostkaap begraven. Diana Ferrus had liever gezien dat Saartjie in Kaapstad was begraven. ‘Ik denk dat de Kaapse mensen haar meer nodig hebben’, verduidelijkt ze, ‘zodat ze er voortdurend aan herinnerd worden waar ze vandaan komen.’ Er is echter gekozen voor de Gamtoosvallei, waar Baartman geboren is en waar volgens de mensen uit de Oostkaap haar navelstreng begraven ligt. ‘Maar de Khoi waren een nomadisch volk’, schokschoudert Ferrus, ‘ze werden lang niet altijd begraven op de plek waar ze geboren waren.’ Ferrus betreurt het dat Saartjies graf er vuil en verwaarloosd bij ligt. Het gebied er omheen is al jaren een bouwput; niemand weet wanneer het ambitieuze Sarah Baartman Centre of Remembrance voltooid zal worden. Spijtig, vindt Ferrus. ‘Het verhaal van Saartjies terugkeer is een verhaal van hoop. En ons land heeft zulke verhalen nodig.’

Gemeenschapsleider
Ferrus komt uit een familie van verhalenvertellers. Haar ouders konden allebei hele gedichten uit hun hoofd opzeggen. Die invloeden, samen met de traditie van de Struggle-poëzie, hebben haar eigen stijl van schrijven en voordragen gevormd. ‘Die liggaam wil saampraat’, vat ze haar melodieuze performances samen. ‘Armen, borsten, maag, voeten… Daarmee breng je een ontroering teweeg die je via een boek niet kunt bereiken.’
Ferrus is gedurig onderweg om bruine gemeenschappen over Sarah Baartman en andere oermoeders, zoals de slavin Ansela van die Caab, te vertellen. ‘Mijn werk draait om genezing’, zegt ze. ‘Ik heb een moeilijke jeugd gehad, getekend door drankmisbruik en huiselijk geweld. Schrijven heeft me geholpen om daar bovenuit te stijgen.’ Verhalen over de geschiedenis van de bruine gemeenschap kunnen eveneens helend werken. ‘Als ik mijn mensen verhalen over hun Khoisan- en slavenachtergrond vertel, in het Afrikaans, dan zijn ze zo trots.’
Na Sarah Baartmans repatriatie was de tijd rijp voor de publicatie van Ferrus’ eerste dichtbundel. Toen het haar niet lukte om gevestigde uitgeverijen voor haar werk te interesseren, besloot ze haar werk in eigen beheer uit te geven. Zo behield zij de zeggenschap én ze verdiende nog meer ook. In 2006 verscheen Ons kom vandaan en in 2010 I’ve Come To Take You Home. Self publishing betekende wel dat ze hard moest werken om haar boeken onder de aandacht te brengen. ‘Nóg een reden waarom ik mezelf heb ontwikkeld als voordrachtskunstenaar. Maar ik kan het iedereen aanraden.’
Ferrus geeft regelmatig schrijfcursussen, onder meer aan vrouwen van arme plaaswerkers. Omdat deze vrouwen soms nauwelijks kunnen lezen of schrijven, is de begeleiding intensief. Ferrus zal zo’n vrouw bijvoorbeeld vragen hoe zij iets zou beschrijven, en dan schrijft zij het op. ‘We willen deze vrouwen een stem geven’, zegt ze. ‘Ze krijgen er meer zelfvertrouwen door.’ Juist daarom moet Ferrus voorzichtig te werk gaan. ‘Een eigen stem betekent dat je je verantwoordelijk voelt voor je eigen tekst. Als docent moet ik oppassen dat ik hun verhaal niet overneem.’

Voormalige koloniën
Ferrus schrijft zowel in het Afrikaans als in het Engels. ‘Afrikaans is mijn moedertaal, een taal van het continent Afrika, de taal van mijn hart’, zegt ze stellig. Ze is begonnen om ook in het Engels te schrijven toen een hoogleraar aan de UWK haar uitnodigde om een Engelstalige schrijfcursus te volgen. Inmiddels voelt ze zich in beide talen even vertrouwd; beide komen recht uit haar hart. Gewoonlijk bepaalt het onderwerp of een gedicht zich in het Afrikaans of in het Engels aandient. ‘Het voordeel van het feit dat ik ook in het Engels schrijf, is dat ik kan reizen’, zegt ze. ‘Ik kan lezers in het buitenland laten kennismaken met mijn mensen, en met mezelf.’

Ferrus is een graag geziene gast op Nederlandse festivals. Zo was ze al te horen op het Winternachtenfestival (2005) en het Kwaku-festival (2015). ‘Nederland en Zuid-Afrika hebben nu eenmaal een gedeelde erfenis’, constateert ze. ‘We kunnen boos zijn op elkaar, maar we kunnen ons nooit helemaal van elkaar losmaken.’ Met Suriname en de Nederlandse Antillen voelt ze een speciale band. Daar herkent ze de taal, de gedeelde roots en het gedeelde koloniale verleden. ‘Het Caraïbisch Gebied ligt me na aan het hart. Als ik de mensen daar zie, is het alsof ik mijn eigen mensen zie – mijn oma’s en opa’s, mijn ooms en anties.’

vrijdag 8 december 2017

Interview met Katinka Heyns:

‘Ik leefde als kind in een droomwereld,
en dat doe ik nog steeds’

(Maandblad Zuid-Afrika, mei 2017)

Op dinsdag 23 mei vertoont het Zuid-Afrikahuis de film Die wonderwerker (2012), geïnspireerd op het leven van de Zuid-Afrikaanse schrijver Eugène N. Marais. De film is gebaseerd op een scenario van Chris Barnard en geregisseerd door Barnards vrouw, Katinka Heyns. Barnard overleed op 28 december 2015. Nu is Heyns, die dit jaar haar 70e verjaardag hoopt te vieren, terug, als producent van de nieuwe Afrikaanse speelfilm Die rebellie van Lafras Verwey. Opnieuw naar een tekst van Chris Barnard, en dit keer met zoon Simon Barnard als regisseur.

Katinka Heyns / Foto: Elize Zorgman

Katinka Heyns begon haar loopbaan als toneelspeelster. In 1968 debuteerde ze als filmactrice in de film Katrina van de legendarische regisseur Jans Rautenbach. Ze werd deel van de vaste groep acteurs die Rautenbach om zich heen verzamelde. Na Katrina zou ze ook te zien zijn in Rautenbachs Jannie Totsiens (1970), Pappalap (1971) en Eendag op ’n reëndag (1975). Heyns genoot van de samenwerking: ‘Voor het eerst een regisseur die geen schoonheidskoninginnen gebruikte’. Ondertussen trad ze ook, samen met Tobie Cronjé, op in Willem, de tweede televisieserie die ooit voor de Zuid-Afrikaanse televisie werd gemaakt. ‘Maar ik denk dat ik op de set een verschrikkelijke bemoeial was. Ik had allerlei ideeën en Tobie was ook heel creatief, dus we verzonnen er voortdurend dingen bij. Waarop het hoofd van de drama-afdeling van de SAUK vroeg of ik geen zin had om zelf de regie van een film te doen.’ Dat werd ’n Rand ’n droom, in 1978 uitgeroepen tot beste Afrikaanse tv-film van het jaar.
Ook op de filmset begon Heyns zich te vervelen. ‘Altijd maar wachten tot je opgeroepen werd...’ Daarom begon ze te kijken wat de cameraman en andere leden van de crew deden. Haar belangstelling voor het werk achter de schermen bleef niet onopgemerkt. Toen Rautenbach haar vroeg om samen met hem de regie van Pappalap te doen, aarzelde ze geen moment. Ze nam ontslag bij TRUK, het toneelgezelschap waar ze toen voor werkte, zodat ze kon helpen met het draaiboek te schrijven en ze het hele productieproces vanaf het begin kon meemaken. Na deze ervaring besefte ze al snel dat ze niet meer wilde acteren. ‘Ik hield niet van al die aandacht. Ik vond het veel leuker om achter de camera te staan.’

‘Een verhaal dat mensen moest ontroeren’
Toen Zuid-Afrika in 1976 eindelijk televisie had gekregen, ontstond er grote behoefte aan nasynchronisatie. Omdat niemand anders het deed, begon Heyns thuis, in de was- en strijkkamer, haar eigen bedrijfje, Sonneblom Films. Ze leerde geweldig veel door dag in, dag uit minutieus naar al die Nederlandse, Zweedse, Duitse en Franse series te kijken die de SAUK had aangekocht. ‘In Zuid-Afrika stond de televisie nog in de kinderschoenen, grof en commercieel. Wat er uit Europa kwam, was veel meer verfijnd.’ Het hielp haar om als filmmaker haar eigen vertelstijl te vinden.
In 1978 trouwde Heyns met haar tweede man, Chris Barnard, een schrijver die, samen met onder andere André Brink, Breyten Breytenbach, Braam de Vries, Adam Small, Ingrid Jonker en Jan Rabie, werd gerekend tot de generatie van de Sestigers. Samen maakten ze een reeks documentaires over bekende schrijvers en intellectuelen zoals C.L. Leipoldt, D.J. Opperman, N.P. van Wyk Louw en Marthinus Versfeld. De programma’s werden goed ontvangen, evenals een reeks over haar zwangerschap, de eerste achttien maanden en de eerste drie jaar van haar zoon Simon. Opmerkelijk aan deze laatste serie was dat alle gebeurtenissen door Simons ogen werden gezien. Door de ogen van een personage kijken was een techniek die ze later, in haar speelfilms, nog vaak zou gebruiken.
In 1988 kreeg Heyns uiteindelijk de kans om haar eerste speelfilm te maken, Fiela se kind, naar de roman van Dalene Matthee, met Shaleen Surty-Richards in de hoofdrol. Om het budget voor de film bij elkaar te krijgen, viel niet mee. Conservatieve Afrikaners hadden er lucht van gekregen dat een bruine actrice de hoofdrol zou spelen, en hun protest maakte de financiers huiverig. ‘De tegenstanders gebruikten de taal, het Afrikaans, als argument’, herinnert Heyns zich. ‘Maar het Afrikaans was niet alleen de taal van de onderdrukker, het was ook de taal van de onderdrukte. Mensen als Eugène Terre’Blanche, dat waren gewoon anarchisten…’ Heyns begreep de bezwaren niet. ‘Ik ben zelf op mijn oma’s boerderij tussen de Xhosa’s opgegroeid. Mijn beste vriendin was Xhosa. Met Fiela wilde ik gewoon een verhaal vertellen dat mensen moest ontroeren. Ek het geen politieke breinselle nie.’ Tot ongeregeldheden kwam het gelukkig niet. ‘We schoten de film in de bossen bij Knysna, onzichtbaar voor de buitenwereld.’ De film had nog wel een onverwacht gevolg. De vrouwenorganisatie Kontak zette zich in voor contact tussen blanken en kleurlingen. Nadat de film was uitgekomen, werden er door het hele land heen nieuwe groepen opgericht. ‘Wij hebben de film aan al die groepen vertoond, en zij zorgden ervoor dat bruine mensen de film ook te zien kregen.’

‘Mijn ziel praat Afrikaans’
Na Fiela se kind volgden Die storie van Klara Viljee (1992), Paljas (1998, de eerste Zuid-Afrikaanse film die genomineerd werd voor een Oscar als Beste Buitenlandse Film) en Die wonderwerker (2012). Heyns werkt in haar films graag met toneelacteurs. Die zijn volgens haar het best in staat om emotionele diepte te bereiken en alle registers van die emotie open te trekken. ‘Het gaat me om de ziel van een personage. Je ziet het als je zo’n acteur in de ogen kijkt. Je spéélt een personage niet, je bént het.’
Heyns’ films hebben altijd wel een magisch-realistisch tintje. ‘Ik leefde als kind altijd in een droomwereld, en dat doe ik nog steeds.’ Vooral Paljas was natuurlijk ‘zuivere, heerlijke magic, tovenarij’. Heyns hoorde het verhaal over de circustrein die stilhield bij een afgelegen stationnetje in de Karoo voor het eerst in 1969, tijdens de opnames voor Pappalap. Later kwam ook de schrijver Braam de Vries ermee. Een streekverhaal, dat door Chris Barnard in een filmscript is vastgelegd. De centrale figuur is de clown van het circus, de paljas, die kenmerken heeft van een heler, ‘iemand die gebroken mensen en een gebroken wereld gezond maakt’. Iemand heeft Heyns verteld dat het woord ‘paljas’ in de Karoo ook een letterlijke betekenis heeft: een bontgekleurde toverjas, met zakken vol steentjes en veren. ‘Meneer Mandela draagt een paljas, zeiden we in die tijd weleens tegen elkaar. Hij heeft de magie, dat zakje kruiden, waarmee hij dingen gezond en heel kan maken.’
Het landschap vervult in Heyns’ films bijna de rol van een personage. Maandenlang doorkruist ze het land om geschikte locaties te vinden. De dichte bossen bij Knysna en de zee bij Waenhuiskrans uit Fiela se kind, het dorpje Toorwater (‘Toverwater’) waar Paljas is opgenomen, en de boerderij uit Die wonderwerker met de indrukwekkende heuvel die door Marais ‘Matewis’ wordt genoemd. Allemaal dragen ze bij aan het timbre van de film.
Heyns’ films zijn geworteld in de Afrikaanstalige cultuur. ‘Ik voel in het Afrikaans’, zegt ze. ‘Ik droom in het Afrikaans. Mijn ziel praat Afrikaans.’ Ze heeft ook wel in het Engels gewerkt, maar dan voelde ze altijd een zekere afstand. Natuurlijk is de taal slechts één facet van een film, naast bijvoorbeeld het spel van de acteurs, het landschap en de cameravoering. ‘Maar ik begrijp Afrikaanse mensen. Daar voel ik me thuis. Dus kies ik automatisch verhalen over mensen die die identiteit hebben. Zoals Jan Rabie zei: “Sonder Afrikaans is ek niks”. En Chris zei: “Afrikaans is geen uniform dat je draagt, het is meer zoals een sambreel [parasol, IG], er moet veel ruimte zijn.”’

Lafras Verwey rebelleert weer
Heyns kijkt vol liefde en dankbaarheid terug op haar huwelijk met Chris Barnard. Draaiboekschrijver en regisseur, samen vormden ze een gouden combinatie. Voor een regisseur is een goed draaiboek onmisbaar en terwijl Heyns nog wel eens wil afdwalen, had Barnard een goed gevoel voor structuur en economie. Tegen het einde van het productieproces haalde ze hem er opnieuw bij en dan keek hij met een objectief oog. Vaak bevestigde hij dingen waar ze zelf al over twijfelde. En alles was bespreekbaar. ‘Het ego van een schrijver kan in de weg staan’, zegt Heyns. ‘Maar tussen ons was er altijd absoluut een synergie. En hij gaf me vrijheid, in termen van de acteurs, het team, alles.’
En nu is er Die rebellie van Lafras Verwey, in 1971 door Barnard geschreven als hoorspel en in 2011 bewerkt voor het toneel. Simon (1982) heeft nog samen met Chris het scenario geschreven. Barnard jr. heeft het verhaal over een onbeduidende ambtenaar (een prachtige rol van Heyns’ oude vriend Tobie Cronjé) die zich verbeeldt dat hij deel uitmaakt van een beweging die de regering omver wil werpen, overgeheveld naar het eigentijdse Zuid-Afrika. ‘Het is ongelooflijk hoe goed dat werkt’, zegt Heyns. ‘Want we bevinden ons nu in eenzelfde situatie. Aan de andere kant van apartheid komen we opnieuw in verzet tegen tegen decadente mensen die de scepter zwaaien.’ Het is dan ook toepasselijk dat de film in première ging in het weekend van 9 april, toen tienduizenden Zuid-Afrikanen de straat op gingen om te protesteren tegen het bewind van president Zuma.
Hoewel ze al veertig jaar in het vak zit, is Heyns nog lang niet gereed om met pensioen te gaan. ‘Om een film te maken kost zoveel energie. Als je ouder wordt, heb je daar niet meer altijd de fysieke kracht voor. Daarom ben ik me ervan bewust dat ik het juiste verhaal moet kiezen, als ik nog een keer een film maak.’ Ze denkt na over verschillende documentaires en kinderprogramma’s. En er is één filmproject dat ‘aan de deur klopt’, wachtend om binnen gelaten te worden. Meertalig, multicultureel, en ja, gebaseerd op een tekst van Chris. Maar het is nog te vroeg om daar meer over te zeggen. ‘Ik denk niet dat mijn passie om films te maken ooit zal uitdoven. Ik voel me het gelukkigst als ik op de set ben. Film is voor mij wat morfine voor Eugène Marais was. Ik denk niet dat deze verslaving mij makkelijk zal loslaten.’


maandag 4 december 2017

Regisseur Jean van de Velde:


‘Bram Fischer liet zich leiden door zijn idealen’


(Maandblad Zuid-Afrika, april 2017)


Op 13 april gaat de Nederlands-Zuid-Afrikaanse speelfilm Bram Fischer in première. De film vertelt het verhaal van de blanke advocaat Bram Fischer, die Nelson Mandela en zijn mede-beschuldigden verdedigt tijdens het Rivoniaproces. Eigenlijk had Fischer zelf ook in de beklaagdenbank moeten zitten…

Jean van de Velde

Op 11 juni 1963 doet de Zuid-Afrikaanse politie een inval op de boerderij Liliesleaf in Rivonia, een buitenwijk van Johannesburg. In één klap worden vrijwel alle leiders van het ANC en de Zuid-Afrikaanse communistische partij opgepakt. Het bewijsmateriaal dat wordt aangetroffen, is verdoemend. Hier werd Operatie Mayibuye voorbereid, de gewapende strijd tegen de apartheid. Als de rechtszaak begint, wordt Nelson Mandela, die al eerder gearresteerd is, als ‘Accused No 1’ aan de groep toegevoegd. In de film zijn er drie advocaten die de activisten verdedigen: George Bizos, Joel Joffe en, de belangrijkste, Bram Fischer, telg uit een bekende Afrikaner familie en Deken van de Orde van Advocaten. Fischer speelt echter een dubbelrol: het is slechts bij toeval dat hij zélf tijdens de inval niet op Liliesleaf was. Want Fischer is de leider van de verboden Zuid-Afrikaanse communistische partij… Niemand is meer geschikt om Mandela en de anderen te verdedigen dan Fischer. Maar hierdoor vestigt hij ook de aandacht op zichzelf. Ondertussen dringt Mandela erop aan dat Fischer de gewapende strijd voortzet. Maar Fischer is ook huisvader; hij heeft een vrouw, Molly, en drie kinderen. Hij brengt niet alleen zichzelf, maar ook zijn gezin in gevaar.

‘Geschiedenis komt in 50 tinten grijs’
Bram Fischer is een Nederlands-Zuid-Afrikaanse coproductie. Drijvende kracht is regisseur Jean van de Velde. Het continent Afrika is voor Van de Velde vertrouwd terrein: hij is geboren in Belgisch Congo, waar hij tot zijn dertiende heeft gewoond. ‘Het is toch’, zegt hij, met een verwijzing naar Oeroeg van Hella Haasse, ‘het landschap waar je uit geweven bent.’ Hij was drie of vier toen hij voor het eerst naar Nederland kwam en tot zijn verbazing alleen maar witte mensen om zich heen zag. Zijn Afrikaanse jeugd zou zijn kijk op de wereld en op verhoudingen tussen bevolkingsgroepen voorgoed bepalen.
Het idee voor Bram Fischer ontstond toen Van de Velde een script in handen kreeg dat gebaseerd was op de memoires van advocaat Joel Joffe, The State Versus Nelson Mandela. Wat Van de Velde aansprak, was dat Joffes verhaal de complexiteit van de geschiedenis zo duidelijk liet zien. ‘Er wordt vaak gedacht dat Mandela de enige was die in opstand kwam. Of dat hij de enige was die veroordeeld werd. Maar hij was deel van een groep, en die groep bestond uit mensen van alle rassen: zwart, bruin, blank, Indiër… Veel blanken die aan het verzet deelnamen, zoals Dennis Goldberg en Lionel Bernstein, waren joods. Het was dus niet zomaar een strijd van zwart tegen wit.’
Een thema dat Van de Velde zelf heeft ingebracht, is het idee ‘dat water sterker is dan steen’. ‘Volgens mij paste dat wel bij Fischers gedachtegoed. In de film stellen we vragen over de keuze van Mandela en Umkhonto we Sizwe voor gewapend verzet. Zelf geloof ik niet in keiharde confrontaties. Maar ik kan me wel voorstellen dat Fischer dacht dat er een moment komt waarop het water je tot de lippen staat, en er geen andere uitweg meer is. Maar je moet tot het uiterste blijven proberen om de weg van de redelijkheid te bewandelen. Via de wet, via elkaar begrijpen… Ja, ik ben wat dat betreft een softie.’
Ná zijn vrijlating in 1990 zou Nelson Mandela natuurlijk ook zelf iedereen de hand reiken. Van de Velde verwondert zich erover dat Mandela zelfs de grootheid had om Percy Yutar, de openbaar aanklager tijdens het Rivoniaproces, uit te nodigen voor de lunch, ‘en dan nog de fijnzinnigheid te hebben om hem een koosjere lunch aan te bieden ook’. Van de Velde is zich ervan bewust dat er nu stemmen opgaan dat Mandela’s verzoenende houding te makkelijk was geweest, dat hij een ‘sell-out’ zou zijn geweest voor zijn eigen mensen. Maar daar haalt hij zijn schouders over op. ‘Iedereen reageert vanuit zijn eigen wereldbeeld. Het enige wat ik ervan kan zeggen is dat er in Zuid-Afrika een omwenteling heeft plaatsgevonden die met relatief weinig bloedvergieten gepaard ging. Ik ben blij dat hij was zoals hij was, ook al heeft hij achteraf gezien wellicht tekortkomingen gehad.’

Peter Paul Muller als Bram Fischer en Antoinette Louw als Molly


Fischers dilemma’s
Bij Bram Fischer proefde Van de Velde een aantal dilemma’s. ‘Je hebt een ideaal en je bent bereid daar heel ver voor te gaan. Maar je neemt wel je familie erin mee.’ Van de Velde heeft niet alleen met Fischers dochters gesproken, maar ook met de dochter van Lionel Bernstein, met Ahmed Kathrada en George Bizos. Telkens weer was er hetzelfde besef: we slepen onze dierbaren mee.
Daarnaast kwam Fischer uit alle bronnen op Van de Velde over als een redelijke en zachtaardige man. ‘Ik meen dat het Hilda Bernstein was die in The World That Was Ours – een prachtig boek! – schreef dat er een soort zachtmoedigheid over de rechtszaal neerdaalde als Bram sprak. Zijn communisme was vooral gebaseerd op het feit dat het de enige stroming was die zwart en blank gelijkstelde. Het ging hem niet om het marxisme als economische theorie, het ging hem om gelijkheid. En dan kom je met zo’n zacht karakter middenin de strijd terecht. Wanneer – zoals ik Joël Joffe laat zeggen – geef je je zachtaardigheid op?’
Fischer was afkomstig uit een vooraanstaande Afrikaner familie. In de film wordt zijn Afrikanerschap bijvoorbeeld weerspiegeld door zijn passie voor rugby, en zijn korte broek. Van de Velde: ‘Als Joffe zegt: “Die rechter is een echte Afrikaner”, dan zegt Fischer: “Ja, ik ook.” Ik denk dat hij het stadium van verscheurdheid tussen zijn politieke idealen en zijn loyaliteit aan het Afrikanerdom al voorbij was. Hij stuurde zijn kinderen bijvoorbeeld naar een Engelse school. Hij heeft tegen zijn oudste dochter Ruth gezegd: “De toekomst gaat Engels worden.”’

Waarheidsgetrouw
De film is opgenomen op een aantal historische locaties: de oorspronkelijke rechtszaal waar het proces werd gehouden in het Paleis van Justitie in Pretoria, de cellen onder deze rechtbank, en ook de cel in het Fort (nu: Constitution Hill) in Johannesburg, waar Nelson Mandela gevangen had gezeten voor hij met de groep werd herenigd. Eén ding heeft Van de Velde veranderd. In de film zitten de verdachten op een bankje achter de rechter, met hun gezicht naar de zaal. Van de Velde: ‘In werkelijkheid zaten ze naast elkaar op de eerste rij, achter de verdediging. Maar dit bankje was visueel interessanter, want je hebt ze in één shot bij elkaar. Dat bankje was voor vips, een soort eretribune, bijvoorbeeld voor wanneer het nationale cricketteam een dagje kwam kijken.’
Om de film zo authentiek mogelijk te laten overkomen, heeft Van de Velde veel moeite gedaan met de casting. De hoofdrol wordt vertolkt door de Nederlandse acteur Peter Paul Muller (Gooische vrouwen, All Stars); de andere rollen worden gespeeld door Zuid-Afrikaanse acteurs. De acteurs moesten een ‘behoorlijk hoog lookalike-gehalte’ hebben, en Van de Velde wilde per se een Zuid-Afrikaanse acteur – en niet de zoveelste Engelsman of Amerikaan – voor de rol van Nelson Mandela. Ook details als het busje van de droogskoonmakery dat bij de inval op Liliesleaf door de politie als dekmantel werd gebruikt, en het ouderwetse kopieerapparaat kloppen. De werktekeningen van Operatie Mayibuye zijn afkomstig uit het oorspronkelijke dossier en zijn door de rekwisietenafdeling nauwkeurig nagemaakt. Bepaalde dialogen zijn gebaseerd op de originele hofverslagen. ‘Dat soort dingen probeer je allemaal goed te krijgen’, legt Van de Velde uit, ‘omdat je weet dat je op andere punten moet inleveren. De rechtszaak duurde negen maanden, de film is in twee uur klaar.’
Zuid-Afrikaanse kijkers zullen zich misschien verbazen over de keuze voor de Nederlander Peter Paul Muller voor de hoofdrol. Volgens Van de Velde was dit onvermijdelijk: zonder Nederlandse hoofdrolspeler had hij nooit de financiering voor de film rond gekregen. En hij heeft grote waardering voor Muller, met wie hij al verschillende keren heeft samengewerkt. ‘Hij is taalgevoelig. En er zit een binnenleven bij hem. Het is een zachtaardige, lieve jongen, maar wel met een gereserveerde buitenkant. Als advocaat heb je altijd een soort schermpje, en Fischer leidt een dubbelleven, dus je moet een soort decorum behouden.’
Muller heeft hard gewerkt om zich voor de film een Afrikaans accent aan te meten. De afwisseling van het Afrikaans en het Engels verhoogt de authenticiteit en geeft de film een bijzondere dynamiek. ‘Ik vind het Afrikaans een prachtige taal’, zegt Van de Velde. ‘En je kunt nooit een taal schuldig verklaren. Het is wat anders als je die taal opdringt aan mensen die hem helemaal niet spreken, dan vind ik het raar. Maar laat ze die taal verder lekker praten.’

Rivonia Trial


Onbaatzuchtigheid
Van de Velde hoopt dat het publiek na het zien van de film één ding onthoudt. ‘Dat wij hier in het Westen – in Nederland, maar zeker ook in Zuid-Afrika – op de schouders staan van mensen die zich lieten leiden door hun idealen. Die niet aan zichzelf dachten, maar aan anderen, en niet alleen in het hier en nu, maar ook in een mogelijk morgen. Fischer is het ultieme voorbeeld, omdat hij tégen zijn eigen volk vocht, vóór een ander volk, en dat is nog veel dapperder. Die onbaatzuchtigheid mis ik vaak in onze tijd.’

Na Wit licht en Hoe duur was de suiker is Bram Fischer de derde film die Van de Velde in Zuid-Afrika heeft gemaakt. Hij houdt van het werken daar. Het klimaat is een pré. Daarnaast is iedereen in het bedrijf er uiterst professioneel en gemotiveerd. Ook voor Cape Town Film Studios heeft hij niets dan lof. Hier worden ook veel Amerikaanse blockbusters opgenomen. Maar anders dan de Amerikanen past Van de Velde er wel voor op om met een heel team van buitenlanders te komen, ‘als een invasie aliens die het gras kaalvreten en dan weer weggaan’. Bij het maken van Bram Fischer waren Van de Velde, uitvoerend producente Chantal Nissen, acteur Peter Paul Muller en de tweede cameravrouw de enige Nederlanders op de set. ‘Ik hoop dat Zuid-Afrikanen niet het gevoel hebben dat een of andere buitenlander hun Fischer of Mandela gekaapt heeft. Ik heb geprobeerd om het verhaal van binnenuit te vertellen, mét de mensen uit Zuid-Afrika zelf. Dus ik hoop dat Zuid-Afrikanen zich in de film herkennen.’

woensdag 29 november 2017

Interview met televisiemaker Hans Goedkoop:

‘In Zuid-Afrika leeft de geschiedenis voort’

Vanaf 23 maart is op NPO2 een zevendelige documentairereeks over Zuid-Afrika te zien, Goede Hoop getiteld, net als de tentoonstelling in het Rijks. Presentator is Hans Goedkoop, bekend van Andere tijden. Als we elkaar ontmoeten, is hij net terug uit Zuid-Afrika, en nog vol van alle indrukken.

(Eerder verschenen in Maandblad Zuid-Afrika, maart 2017)


De documentaireserie Goede Hoop is het eerste resultaat van een nieuw samenwerkingsverband tussen het Rijksmuseum en de NTR. Presentator Hans Goedkoop is enthousiast. ‘Er is veel onderliggende research die je met elkaar kunt delen. Maar er zijn ook verschillen. Een tentoonstelling heeft als kick dat je het oorspronkelijke voorwerp ziet. Bij televisie zit er altijd een scherm tussen. Maar televisie kan wel plekken en mensen laten zien. Het bijzondere van Zuid-Afrika is dat mensen daar nog echt leven mét, om niet te zeggen: belast zijn dóór de geschiedenis. Daardoor switchen ze heel makkelijk heen en weer tussen vroeger en nu. Dat geschiedenis zo emotioneel ligt, is waanzinnig dankbaar voor televisie.’


Op zoek naar de andere kant
Goedkoop verwacht niet dat er grote ideologische verschillen zullen zijn tussen de tentoonstelling en de tv-serie. ‘Het Rijksmuseum vertelt het verhaal ruwweg chronologisch in tien zalen, en wij doen dat in zeven afleveringen. Daarbij zitten we veelal met dezelfde vragen. Je gaat op zoek naar de Nederlandse geschiedenis van Zuid-Afrika, maar dat betekent niet dat je de geschiedenis alleen vanuit de Nederlandse kant wilt belichten.’
Beide groepen liepen aan tegen het probleem dat de meeste bronnen alleen het Nederlandse verhaal vertellen. Goedkoop en zijn span moesten soms doelbewust op zoek naar manieren om ook de andere kant te laten zien. Zo vroegen ze een van de leiders van de hedendaagse Khoisan-gemeenschap om te reageren op een contract uit de jaren 1660 waarin een ‘Prince’ van de Khoisan vrijwel de hele Kaap aan de Nederlanders verkwanselt. De vrouw struikelde meteen over dat woord ‘Prince’. De Khoisan kenden helemaal geen prinsen. En ook geen landbezit. Daarbij was het contract in het Nederlands gesteld. ‘Het contract bestaat’, constateert Goedkoop. ‘Daar kom je niet onderuit. Maar je kunt wel vragen stellen over de betekenis ervan.’
‘Bij sommige afleveringen denk je nog steeds: het is een beetje een wit verhaal geworden’, erkent Goedkoop. ‘Het is moeilijk om daaraan te ontsnappen. Ik hoop dat de serie als geheel toch veel schakeringen laat zien, en op z’n minst vragen stelt bij het witte verhaal.’

Geschiedenis en actualiteit
De redactie van Goede Hoop is al eind 2015 begonnen met research. De opnames ter plaatse zijn gemaakt in augustus, september en oktober 2016. Goedkoop zelf is tien weken in Zuid-Afrika geweest. Toen hij aankwam, had zijn redactie al het nodige voorwerk gedaan, en natuurlijk had hij zich zelf ook stevig ingelezen. Toch wilde hij niet alles vantevoren weten. ‘Er moet een zekere mate van verrassing blijven.’ Daarbij speelde er, terwijl ze daar waren, van alles in de actualiteit met duidelijke historische wortels. De studentenprotesten, bijvoorbeeld. Op een van de eerste draaidagen bleek de campus van de Universiteit van de Witwatersrand in Johannesburg, waar ze die middag zouden filmen, hermetisch afgesloten. Toen ze hoorden dat hun contactpersoon, een zwarte student, ging demonstreren, besloot de televisieploeg mee te gaan.
Goedkoop herinnert zich dat de mensenmassa in een bepaalde richting bewoog. ‘Maar opeens werd de meute door de politie teruggeduwd, en even later zijn er stun grenades en rubberkogels… We wisten nog van niets! Behalve dat je al vrij snel het gevoel krijgt: er dreigt hier geweld. Sommigen flirten daar onbeschroomd mee. In hun ogen is geweld de enige manier om iets voor elkaar te krijgen, en ze voelen zich daarin gesteund door de geschiedenis. Ze staan tegenover de oproerpolitie en denken: “Sharpeville! Soweto!”’

Multiculturele samenleving
Goedkoop ziet Zuid-Afrika als ‘spiegelland’. ‘We leven in Nederland sinds enkele decennia met de eerste aanzetten van een multiculturele samenleving’, verduidelijkt hij. ‘Het is ironisch en deemoedig stemmend dat wij nu al in paniek verkeren, terwijl we buitengewoon makkelijk oordelen over het leven in Zuid-Afrika. Het is fascinerend dat er driehonderd jaar geleden onder de Nederlanders aan de Kaap al een samenlevinkje ontstond dat experimenteerde met dit soort vragen.’
Na Brexit en de overwinning van Trump in de VS en met de verkiezingen in Nederland en Frankrijk in het verschiet, is het thema wit suprematisme ook buiten Zuid-Afrika heel actueel. Goedkoop houdt van een multiculturele samenleving. ‘Het is verrijkend, het is goed voor je empathie, het is gewoon beschaving’, stelt hij. Maar hij heeft ook oog voor de uitdagingen. ‘De backlash die nu ontstaat, ook in Europa, is er niet voor niets. Vrome praatjes verkopen is niet genoeg. Want mensen hebben er last van. In Zuid-Afrika merk je onmiddellijk dat je niet om iemands kleur heen kunt kijken. Zij kunnen ook niet om jouw kleur heen kijken. Doen alsof het geen rol speelt, is een ontkenning van de werkelijkheid. Voor mij was mijn hele verblijf daar een oefening in het ondergaan van de complexiteit van zo’n samenleving, de spanningen die dat geeft en de erkenning hoe lastig dat ook wel degelijk voor jouzelf is.’
Toch zie je volgens Goedkoop dwars door de Zuid-Afrikaanse geschiedenis heen, zelfs in de apartheidstijd, blanken die het goed bedoelen. ‘Niet iedereen was een folteraar op Vlakplaas. Mensen wisten niet eens dat zoiets bestond, op een kleine kring na. Ze wilden het waarschijnlijk ook niet weten. Ik vind niet dat je per definitie geen oordeel mag vellen. Dan schakel je je eigen geest en geweten bij voorbaat uit en maak je het jezelf te makkelijk. Maar je moet wel echt naar mensen luisteren. Natuurlijk zie je ook veel vals bewustzijn. Aan de ene kant zijn ze aardig voor hun personeel, maar even later raken ze de meest verschrikkelijke dingen over zwarten kwijt.’

Twee kanten
Goedkoop kan zich de verbittering van sommige Afrikaners ná 1994 wel voorstellen. ‘Het idee dat ineens alles fout aan je is, is moeilijk te verkroppen. Voor een deel probeer je het te begrijpen en te incasseren. Maar er is ook iets elementairs in je dat zegt: “Niet alles aan mij en aan mijn ouders en voorouders van wie ik gehouden heb, is fout. Zo kan het niet zijn!” Je komt in opstand tegen dat idee. En al helemaal tegen het idee dat er geen plaats voor jou zou zijn in dat land terwijl je familie er al honderden jaren woont. Ik vind het ook goed dat je vervolgens op zoek gaat naar wat er wel goed is geweest in je eigen geschiedenis. Dat is de enige manier om jezelf opnieuw te wortelen in zo’n samenleving en je staande te houden tegenover andere bevolkingsgroepen die nu opeens de macht hebben. Maar als dat nationalisme AWB-achtige trekken gaat vertonen, gaat het mis.’
Goedkoop komt zelf uit een familie met een Indisch koloniaal verleden. Daardoor kan hij zich goed verplaatsen in de huidige positie van de Afrikaners. Zijn grootvader heeft als KNIL-officier deelgenomen aan de politionele acties. ‘Ook dat is ingewikkeld. Pas sinds een paar jaar realiseer ik me dat je twee dingen uit elkaar kunt houden. Die oorlog had niet gevoerd moeten worden. Maar tegelijkertijd kunnen mensen binnen die oorlog wel degelijk moedig en dus op persoonlijk niveau bewonderenswaardig zijn, en dat was mijn opa zeker. Ik denk dat de Afrikaners ook op zoek zijn naar een dergelijke verkaveling. Je kunt aan de ene kant vinden dat de apartheid verkeerd was, en tegelijkertijd kun je je vader, moeder, opa onder die apartheid soms herkennen als mensen met een hoge moraal.’
Aan de andere kant heeft Goedkoop ook begrip voor de woede van de zwarte studenten over standbeelden en gebouwen die in hun benaming nog steeds de herinnering hooghouden aan het koloniale en apartheidsverleden. ‘Als historicus ben ik in principe tegen het uitwissen van het verleden. Maar toen ik naar deze jongeren luisterde, dacht ik voor het eerst: ja, er zijn omstandigheden waarin je echt het verleden moet wissen, dit kan gewoon niet! Daarmee ben ik als historicus over een persoonlijk taboe heen gestapt.’


Last van de geschiedenis
Wat Goedkoop het meest zal bijblijven , is het bezoek aan een school in Lavender Hill, een arme voorstad van Kaapstad waar veel kleurlingen wonen. De tv-ploeg wilde kijken wat de leerlingen over de geschiedenis van hun Khoisan-voorouders weten. Dat bleek tegen te vallen. De kinderen hadden speciaal voor de gasten uit Nederland een prachtige les over Jan van Riebeeck voorbereid, maar van hun eigen geschiedenis wisten ze niets. De ploeg wilde de camera alweer inpakken toen een jongetje een vraag stelde die Goedkoop niet meteen verstond – vanwege het Kaapse accent, maar ook omdat de strekking ervan voor hem als een totale verrassing kwam: ‘Do you also have shootings?’ ‘En toen kwamen de verhalen los’, herinnert Goedkoop zich. ‘Al die kinderen hadden familieleden die in bendes zaten of die door bendegeweld om het leven waren gekomen. Een week geleden was er nog een shoot-out geweest tussen twee gangs die aan weerszijden van de school zaten.’ Goedkoop vond het een confronterende ervaring: ‘Wij waren op zoek naar de Khoisan die beroofd zijn van hun cultuur, taal en geschiedenis. Maar het bleek dat die mensen daar helemaal niet mee bezig zijn. Ze hebben wel iets belangrijkers aan hun hoofd: drugs, wapens, werkloosheid… Er ligt geen rechte lijn tussen, maar ik ben bang dat er toch een verband bestaat. Een geschiedenis van geweld, die bij Jan van Riebeeck is begonnen.’

maandag 27 november 2017

Elzabé Zietsman geeft jonge kunstenaars een kans

(Maandblad Zuid-Afrika, september 2016)


In juli wipte de Zuid-Afrikaanse cabaretière Elzabé Zietsman even langs bij het Zuid-Afrikahuis. ‘Ziets’ speelt een hilarische rol in de film Dis koue kos, skat, die op 21 september in het Zuid-Afrikahuis zijn Europese première beleeft. Bij een kopje koffie vertelde ze over haar pleegkinderen. En over haar aanvaring met zanger Steve Hofmeyr.



De reden voor Elzabé Zietsmans bezoek aan Amsterdam is Naledi, een van haar vijf pleegkinderen. Hoewel hij pas op late leeftijd begonnen is met spelen, is Naledi Dweba (21) een uiterst getalenteerde klarinettist. Hij speelt eerste klarinet in het Johannesburgse Jeugdorkest en studeert aan de Odeion Skool vir Musiek aan de Universiteit van die Vrystaat. Daarom heeft de Belgische Klarinetacademie in Oostende hem uitgenodigd voor een intensieve zomerschool. Onderweg naar Vlaanderen heeft Naledi in Londen al masterclasses gevolgd bij Richard Hosford van het BBC Orchestra en Tim Lines, muziekpedagoog aan het Royal College of Music en de Royal Academy of Music, en in Amsterdam bij Michael Hesselink en Olivier Patey van het Koninklijk Concertgebouworkest. Het is een overweldigende ervaring, zeker voor Naledi, die in Zuid-Afrika in armoedige omstandigheden is opgegroeid.
Zietsman heeft inmiddels vijf pleegkinderen met een soortgelijke achtergrond als Naledi. Jongeren met een bijzonder talent die dromen van een carrière in de kunsten. Zietsman helpt ze niet alleen financieel; ze wonen ook bij haar en zijn volledig aan haar zorg toevertrouwd.
Voor Zietsman is het een grote verandering. Sinds de jaren tachtig was ze als zangeres en actrice te zien in een groot aantal toneel- en televisieproducties. Als musicalster speelde ze onder meer de titelrol in Evita, Velma in Chicago en – in Duitsland – de MC uit Cabaret. En bovenal maakte ze furore als cabaretière. In 2011 speelde ze hoofdpersoon Clara in de succesvolle toneelbewerking van Marita van der Vyvers roman Dis koue kos, skat. En nu is ze terug als de heerlijk vileine Minette in de filmversie van hetzelfde verhaal.
Sinds de jaren negentig, toen Zietsman haar grootste triomfen vierde, is er in Zuid-Afrika veel veranderd. Steeds meer theaters sloten hun deuren en veel Afrikaanse artiesten zijn nu volledig aangewezen op de kunstefeeste. In 2007 begon Zietsman haar eigen gastehuis, Zietsies, schitterend gelegen op een van de hoogste koppies in Aucklandpark (Johannesburg).
Met dat gastehuis begonnen echter ook de moeilijkheden. Zietsman wilde er graag een restaurant openen, maar de buurt lag dwars en het lukte haar niet om een vergunning te krijgen. Haar advocaten raadden haar aan om dan maar een ‘club’ te beginnen, waar ze zo’n dertig eters zou kunnen onthalen en kleine concerten kon houden. Bij een club hoort contributie. Om te onderstrepen dat die contributie niet bedoeld was als extra bron van inkomsten voor haarzelf, zette Zietsman het geld op een aparte rekening, met de bedoeling dat ze het zou uitgeven aan een goed doel van haar keuze.
Maar zo ver kwam het niet; haar goede doel koos háár! ‘Mijn leven is een paar jaar geleden dramatisch veranderd’, zegt ze. ‘In 2009 vertelde een buurman me over een jongen die bij ons in de omgeving woonde. Hij was aangenomen voor de Nasionale Skool vir Kunste maar zijn ouders konden zijn opleiding niet betalen. Daarom begon ik met het geld van de club zijn schoolgeld te betalen, reiskosten, lunchgeld, zakgeld, ik heb een cello voor hem gekocht, trompetten, een saxofoon – alles wat hij nodig had. In november 2011 diende Naledi zich aan en een paar maanden later ontdekte ik dat Naledi ook nog een broertje had….’
Zo dijde de groep steeds verder uit. Zietsman heeft een stichting opgericht om geld voor de kinderen in te zamelen, de Doilie Foundation. Met haar artistieke loopbaan, de leiding over het gastehuis en de opvoeding van de kinderen komt Zietsman echter nauwelijks aan fondswerving toe. Als deze generatie kinderen de deur uit is, hoopt ze daar meer tijd voor te vinden. ‘Ik hoop dat ik dan voor méér kinderen kan zorgen’, zegt ze, ‘maar niet meer op zo’n intense manier. Ik heb regel 1 van liefdadigheidswerk overtreden: te emotioneel, te dichtbij.’
De verantwoordelijkheid voor de kinderen heeft er niet alleen toe geleid dat Zietsman zelf de broekriem flink moest aantrekken. Het heeft ook grote gevolgen gehad voor haar artistieke loopbaan. Op tournee gaan kan niet meer, want dan loopt alles thuis in het honderd. ‘Deze kinderen komen uit zeer traumatische omstandigheden, en zodra ik weg ben, vallen ze terug in hun oude gedrag.’ Ze treedt nog wel vaak op in de eetzaal van haar gastehuis, wanneer de gasten daarom vragen.

Onderbuikgevoelens
In 2014 raakte Zietsman betrokken in een dispuut met de populaire zanger Steve Hofmeyr. Hofmeyr manifesteert zich al jaren als kampvechter voor de Afrikaner. Hij vraagt vooral aandacht voor de zogenaamde plaasmoorde. Daarbij schuwt hij de controverse niet. In juli 2014 deed hij veel stof opwaaien door tijdens het Innibos Festival in Nelspruit het oude volkslied, ‘Die Stem van Suid-Afrika’, te zingen. Bij veel zwarte Zuid-Afrikanen roept dit lied bittere herinneringen op en daarom wordt het gewoonlijk niet langer zelfstandig gezongen, maar nog wel als onderdeel van het nieuwe volkslied, ‘Nkosi Sikelel’ iAfrika’. Dat weerhield Hofmeyr er dus niet van om het wél te doen en de vele festivalgangers lieten zich, bewust of onbewust, verleiden om uit volle borst mee te zingen.
Zietsman wil niet beweren dat je “Die Stem” helemaal niet meer moet zingen. ‘Ik zou het verdrietig vinden als het uit ons volkslied werd gehaald. Maar je moet voorzichtig zijn waar je het zingt, en hoe. Als je “Die Stem” gebruikt om mensen op te ruien, dan is dat verkeerd! En dat is wat Steve doet. Door zijn toedoen is “Die Stem” nog verder besmet geraakt.’
Toen ze las wat er bij Innibos was gebeurd, knapte er iets bij Zietsman. Ze verbaasde zich er al jaren over hoe iedereen in het muziekbedrijf de schouders ophaalde over Hofmeyrs racistische uitspraken. Het was Steve maar… ‘Voor mij was de grens bereikt. Ik vind niet dat je hem de mond moet snoeren, want Steve heeft evenveel recht om zijn mening te uiten als een ander. Maar ik kon het niet langer negeren.’
Zietsman schreef een scherpe veroordeling van het gebeuren bij Innibos op Facebook. Het kwam haar op duizenden woedende reacties van Hofmeyrs aanhangers te staan. Zelfs haar kinderen werden bedreigd. En de boosdoeners waren ongrijpbaar, omdat ze schuil gingen achter valse profielen.
Dit soort onderbuikgevoelens zijn uiteraard niet uniek voor Zuid-Afrika; we vinden ze ook bij populistische bewegingen in Europa en de Verenigde Staten. Zietsman maakt zich geen illusies dat zij en andere artiesten die vooral kleinkunst beoefenen, hier verandering in kunnen brengen; dat is preken voor eigen parochie en bovendien is hun bereik beperkt. ‘Misschien neem ik Steve dít vooral kwalijk’, denkt ze hardop. ‘Steve heeft van ons allemaal de grootste aanhang. Als iemand verzoening en verdraagzaamheid kan bevorderen, is híj het. Maar hij kiest het tegenovergestelde.’ 


Wilt u het werk van Elzabé Zietsman steunen? Kijk dan op www.doiliefoundation.co.za. Informatie over haar gastehuis vindt u op www.zietsies.co.za.
Interview met Jans Rautenbach

Held van het Afrikaanse filmbedrijf

(Maandblad Zuid-Afrika, september 2016)

Iemand typeerde hem als ‘die man wat die Afrikaner establishment bloedneus sou slaan’. Na films als Die kandidaat (1968) en Katrina (1969) zou het Afrikaanse filmbedrijf nooit weer hetzelfde zijn. Maar regisseur Jans Rautenbach is ook een enigma. Waarom stopte hij na Broer Matie (1984) met filmen? En wat bezielde hem om in 2015, bijna tachtig jaar oud, met Abraham zijn come-back te maken?

Jans Rautenbach / Foto: Elize Zorgman

Jans Rautenbach was pas 29 jaar oud toen hij de kans kreeg om zijn eerste speelfilm te maken. Die kandidaat (1968) gaat over een jonge man, dr. Jan le Roux, die solliciteert naar een baan als manager bij een stichting ter bevordering van het Afrikaans. Hij is de enige kandidaat en niets lijkt zijn aanstelling in de weg te staan. Maar tijdens het sollicitatiegesprek wordt duidelijk dat Jan le Roux zo zijn eigen ideeën heeft over wat het betekent om Afrikaner te zijn. Daarnaast blijkt – o schande! – dat hij verloofd is met een Engelssprekend meisje. Het grootste deel van de film speelt zich af in de raadszaal van de stichting, waar de verzamelde raadsleden een verhitte discussie voeren over de wenselijkheid van deze kandidaat – en de grondslagen van de Afrikaner identiteit.
Dat was wel even wat anders dan de oulike romcoms met vrolijke liedjes waar het Afrikaanse bioscooppubliek in die jaren aan gewend was! Die kandidaat stak qua draaiboek, spelersregie en cameravoering mijlenver uit boven de niemendalletjes die toen volle zalen trokken. Maar het was ook nog nooit eerder voorgekomen dat een Afrikaanstalige film gebruikt werd om zulke ingewikkelde politieke thema’s uit te diepen.
Rautenbach, die zelf het scenario voor Die kandidaat heeft geschreven, had zich laten inspireren door een debat waar de kranten in die tijd bol van stonden. Binnen de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns woedde namelijk een felle discussie tussen de ‘verligtes’ onder aanvoering van Willem de Klerk, de oudste broer van de latere president F.W. de Klerk, en de ‘verkramptes’ van Andries Treurnicht, redacteur van Die Kerkbode en later oprichter van de Konserwatiewe Party. Het is dié discussie die tot een scheuring binnen de Akademie dreigde te leiden, die Rautenbach in Die kandidaat tot de essentie had teruggebracht.
De film lokte heftige reacties uit. ‘Ten eerste bewees Die kandidaat dat het Afrikaans veel meer was dan alleen maar een zoetsappig taaltje!’ zegt Rautenbach terugblikkend. ‘Maar de film dwong de Afrikaners ook om kritisch naar hun eigen standpunten te kijken. En hij liet zien hoe diep de politiek in het dagelijks leven in Zuid-Afrika was doorgedrongen.’

Handen af van Katrina!
Rautenbachs tweede film, Katrina (1969), deed nog meer stof opwaaien. Hierin ontdekt een jonge dokter dat zijn moeder, Katrina, niet blank, maar kleurling is; zijn hele leven lang heeft ze gelogen over haar afkomst – en de zijne – om hem betere kansen te geven. De jonge dokter is verloofd met een blank meisje, maar als hij uitvindt wie hij is, verbreekt hij de verloving – een relatie over de kleurgrens heen is onder de apartheid immers verboden! – en duikt onder tussen ‘zijn mensen’, de bruine gemeenschap. Wanneer Katrina merkt dat haar opofferingen voor niets zijn geweest, pleegt ze zelfmoord.
Opmerkelijk is dat de bruine personages in Katrina gespeeld worden door blanke acteurs. Volgens Jans Rautenbach keek niemand daar in 1969 van op. De apartheid maakte het onmogelijk dat blanke en bruine acteurs samen op de set zouden staan. Bruine en zwarte acteurs kwamen alleen in aanmerking voor een rolletje als bediende of boerenknecht. Een rol die gelijkwaardig was aan die van hun blanke collega’s zat er niet in. ‘Achteraf lijkt dat misschien vreemd’, schokschoudert Rautenbach. ‘Maar dat is met de kennis van nú. De bruine gemeenschap heeft er ook nooit een probleem van gemaakt. “Katrina is ons s’n [van ons]”’, zeggen ze tot op de dag van vandaag.’
Nóg een bevestiging dat hij met Katrina de juiste snaar had geraakt, kreeg Rautenbach in 2001, toen Nelson Mandela een bezoek bracht aan het Klein Karoo Nasionale Kunstefees, waarvan Rautenbach een van de initiatiefnemers is. In Oudtshoorn vertelde Mandela dat hij Katrina tijdens zijn gevangenschap had gezien. ‘And it had a tremendous influence on me’, zou Madiba gezegd hebben, ‘because it told me that I could rely on the Afrikaners to help in building a new South Africa. That there were people like you, Mr Rautenbach…’
Zoals te verwachten viel, had de Sensuurraad grote bezwaren tegen Katrina. Rautenbach kreeg echter ook steun. Het Kaapse mediabedrijf Naspers wilde in die jaren de Transvaalse markt veroveren en had zijn beste journalisten naar het Noorden gestuurd. De nieuwe zondagskrant Die Beeld moest het opnemen tegen Die Transvaler en andere kranten van de Voortrekkerpers en de Afrikaanse Pers, twee groepen met eerste minister Hendrik Verwoerd als directievoorzitter. De redactie van Die Beeld had het gemunt op het establishment en Katrina werd inzet van deze strijd tussen Zuid en Noord, tussen ‘verlig’ en ‘verkramp’.
Schalk Pienaar, hoofdredacteur van Die Beeld, riep de hulp in van N.P. van Wyk. Deze dichter, filosoof en academicus gold als het morele en intellectuele kompas van het Afrikanerdom. ‘Hij zat aan die oude montagetafel, heel rustig, in het donker’, herinnert Rautenbach zich, ‘zonder enig commentaar. Toen hij wegging, bedankte hij me hoffelijk. De volgende zondag kopte de voorpagina van Die Beeld: “Van Wyk Louw sê: Julle raak nie aan Katrina nie!”

Invloedrijke beschermers
Zelf beschouwt Rautenbach Jannie Totsiens (1970) als zijn belangrijkste werk. Deze film, die zich afspeelt in een psychiatrische inrichting, kan worden beschouwd als een allegorie op de Zuid-Afrikaanse samenleving uit die tijd. Rautenbach: ‘In Jannie Totsiens heb ik de laatste ketenen van me af geworpen. Hierin voorspel ik hoe het de Afrikaner verder zal vergaan, en mijn voorspelling is uitgekomen. Ons het vir onsself ’n malhuis geskep. Al in 1960 verklaarde de afvaardiging van de NG Kerk tijdens het Cottesloe-beraad dat apartheid een zonde was. Hoe konden al die zogenaamde intellectuelen toelaten dat Andries Treurnicht en zijn machtige bende dat geluid smoorden? Daardoor hebben we als volk nog vijftig jaar in duisternis gewandeld. Tot vandaag toe zijn de kerken niet tot een unanieme veroordeling van de apartheid in staat. Dat vind ik een van de ziekste en meest racistische dingen van deze tijd.’
Dat Rautenbach zijn controversiële films jarenlang in betrekkelijke vrijheid kon blijven maken, kwam ook doordat hij kort na de release van Die kandidaat een erepenning van de Suid-Afrikaanse Akademie kreeg en drie maanden later – samen met de schrijvers P.G. du Plessis, Abraham H. de Vries en Chris Barnard – tot lid van de Akademie werd gekozen. ‘Dat maakte mij tot in eeuwigheid lid van het establishment’, lacht Rautenbach. ‘Als ze mij in de gevangenis gooiden, zou de hele Akademie in de problemen komen, want veel leden behoorden tot de denktank van de regering. Van de Broederbond ben ik nooit lid geweest. De Broederbond was tegen mij. Voor mensen als president John Vorster en Jimmie Kruger, de minister van Justitie, was ik een doorn in het vlees. Maar de Akademie heeft me altijd beschermd. Dat is iets waarvan je pas later de waarde beseft.’
Nóg een verklaring voor Rautenbachs relatieve autonomie was dat hij voor zijn films niet afhankelijk was van de bekende Afrikaner instanties. Het waren vier Nederlandse weldoeners die hem financieel in staat stelden om de films te maken die hij wilde. De laatste film die hij zo kon maken, was Broer Matie (1984), de eerste grote Zuid-Afrikaanse bioscoopfilm met een bruine acteur, Simon Bruinders, in de hoofdrol. In Broer Matie verklaart een blanke boer kort voor zijn dood dat hij, als hij ooit zal overlijden, door een bruine predikant begraven wil worden, de zoon van de voorman op zijn boerderij, die hij, Broer Matie, door de universiteit heeft geholpen. Zijn onverwachte dood plaatst de kerkenraad voor een dilemma: als ze de laatste wens van de overledene willen respecteren, moeten ze een bruine dominee op hun kansel toelaten… Zelfs dertig jaar later roept de film nóg reacties op. Rautenbach: ‘Zo’n jaar geleden werd de film weer eens op televisie uitgezonden, en weer werd ik met de dood bedreigd. Man, ik ben toch veel te oud om te vermoorden! Daar zal niemand wat van merken.’
Broer Matie stopte Rautenbach met filmen. Er werd gespeculeerd dat Broer Maties tegenvallende recette hem ontmoedigd had. Onzin, bast Rautenbach. ‘Dat geldt ook voor Jannie Totsiens. Maar nog steeds moet iedere dramastudent een recensie over Jannie Totsiens te schrijven. Ook heeft de film al drie dissertaties opgeleverd. Als ik een film moest maken om het geld, zou ik me pas écht zorgen gaan maken.’
De waarheid is dat Rautenbach niet bereid was zijn artistieke vrijheid op te geven. Jarenlang had hij kunnen rekenen op dat groepje Nederlanders en op distributiemaatschappij Satbel (Suid-Afrikaanse Teaterbelange Bpk, onder meer eigenaar van Ster-Kinekor). Maar in die tijd werd Satbel opgeslokt door het hotel- en casino-imperium van Sol Kerzner. Van Kerzner (onder meer eigenaar van Sun City) en zijn mensen viel geen enkele affiniteit met Afrikaanse kunstfilms te verwachten en Rautenbach op zijn beurt voelde zich niet thuis bij de commerciële sfeer van Kerzners megabedrijf. Inmiddels was de Zuid-Afrikaanse staatsomroep, de SAUK, in 1976 (eindelijk) met televisie-uitzendingen begonnen en veel filmmakers gingen voor de tv werken. Voor Rautenbach was het echter uitgesloten dat hij zijn talent in dienst zou stellen van een omroep die de spreekbuis van de regering vormde.

Camera aan de wilgen?
Broer Matie wilde Rautenbach een jaar pauze nemen. Het werden er ruim dertig. Wat deed hij al die tijd? Rautenbach: ‘Ik woonde in luxe hotels aan de Rijn in Duitsland, ik at in de beste restaurants van Vlaanderen, ik heb in plakkerskampen onder zinken daken droog brood en koffie gedeeld met de families daar, en ik heb met schaapherders om een vuurtje onder de sterrenhemel gezeten en een eenvoudig deuntje gezongen. Ik heb geleerd om mens te worden. En ik ben betrokken geraakt bij de levens van hen die niets hebben.’
Concreet betekent dit dat Rautenbach veel goed werk heeft verricht, onder meer door opleidingsmogelijkheden voor vrouwen te creëren, scholen te bouwen, duurzaam toerisme te ontwikkelen in afgelegen gebieden en geld in te zamelen voor voedsel en kleding voor de allerarmsten. Ook was hij een van de oprichters van het Klein Karoo Nasionale Kunstefees (KKNK), het eerste Afrikaanse kunstefees, dat in 1994 van start ging.

‘Opstijgen als een arend naar de wolken’
Eind 1995 maakte Rautenbach zijn come-back met Abraham, een film die inmiddels ook bij het Afrikaanse Kultuurfees Amsterdam en het Zuid-Afrikahuis te zien is geweest. Een film met een uiterst persoonlijk karakter, geschoten op Oulap, Rautenbachs eigen plaas in de Kleine Karoo.
Het verhaal is gebaseerd op een ervaring uit Rautenbachs leven. Rautenbach heeft verspreid over de Kleine Karoo kringen van storietellers (verhalenvertellers) opgericht. Hij had namelijk gemerkt dat mensen die door hun armoedige omstandigheden nooit hebben leren lezen, dikwijls over een fenomenaal geheugen beschikken. Ze moeten alles onthouden en dit maakt hen wonderbaarlijke verhalenvertellers. De clubs zijn bedoeld om deze mensen een gevoel van identiteit en eigenwaarde te geven. Elke kring begon met een verhaal door ‘Oom Jans’ zelf. ‘En dan vertelde ik altijd het verhaal van Abraham. Omdat het een pijn in mijn leven was die ik ervaren had en die ik bereid was om te erkennen.’
Abraham gaat over de relatie tussen ‘Jong Jans’ (Rautenbach in 1983) en de bruine tuinman Abraham. Abraham wil kunstenaar worden, en hij herkent in de beroemde filmmaker een geestverwant. Telkens weer wacht hij de baas van Oulap op met een nieuw kunstwerk, een dier van ijzerdraad en cement. ‘Jong Jans’ heeft echter geen geduld om naar Abraham te luisteren. Hij blijft hem op afstand houden… totdat het te laat is.
Karen Meiring, directeur van KykNET, haalde Rautenbach over om het verhaal te verfilmen. Aanvankelijk aarzelde hij. Er was in dertig jaar op technisch gebied immers veel veranderd! ‘Maar al gauw merkte ik dat het nog altijd om het verhaal gaat. De instrumenten die je gebruikt zijn van ondergeschikt belang.’ Hij hoefde er alleen maar voor te zorgen dat hij zíjn visie wist over te dragen aan die jongklomp die de knoppen bediende.
Wanneer hij zijn loopbaan overziet, betreurt Rautenbach slechts dat hij er niet in is geslaagd om het Afrikaanse filmbedrijf wezenlijk te veranderen. Enkele recente kwaliteitsfilms daargelaten overheersen nog steeds de flauwe romcoms mét liedjes. ‘Is het niet tragisch dat als we ons met dit soort onbenulligheden bezighouden? Kunnen we niet als arenden naar de wolken opstijgen om daar het nieuwe te gaan halen, het naar beneden te brengen en aan de mensen te geven? Waarom zou je zoveel energie, enthousiasme en creativiteit stoppen in iets wat over een week alweer vergeten is? Dat mijn films daar geen verbetering in hebben gebracht, is die hartseer die ik op tachtigjarige leeftijd moet dragen.’

De Nederlandse stichting KarooCare ondersteunt de door Jans Rautenbach opgerichte Vlakteplaas Skool. Wilt u helpen? Surf naar www.karoocare.nl.