dinsdag 20 juli 2021

De liefde tegen het licht

Waarom worden zo veel vrouwen in Zuid-Afrika slachtoffer van seksueel geweld? In zijn boek Liefdes verdriet probeert Niels Posthumus antwoord te geven op deze pijnlijk actuele vraag.

 

De publicatie van Liefdes verdriet van de Nederlandse journalist Niels Posthumus komt precies op het goede moment. Het boek, met als ondertitel ‘Verliefdheid, relaties en seks in het Zuid-Afrika van na de apartheid’, verscheen in een week toen de Zuid-Afrikaanse media beheerst werden door het nieuws van de moord op de 22-jarige studente Karabo Mokoena. Mokoena werd voor het laatst gezien toen ze met haar partner een chique nachtclub in Sandton verliet. Mokoena had een straatverbod tegen de man aangevraagd, maar de politie had haar verzoek niet serieus genomen. Op 29 april werd haar lichaam gevonden op een stuk braakliggend terrein – gewurgd, verminkt en verbrand.

Na eerdere geruchtmakende zaken zoals de moord op Anene Booysen en Reeva Steenkamp, beide in 2014, vestigde Mokoena’s dood opnieuw de aandacht op de vele geweldsmisdrijven tegen vrouwen en kinderen in Zuid-Afrika. Volgens onderzoek van de Medical Research Council wordt in Zuid-Afrika elke acht uur een vrouw door haar partner of een kennis vermoord. En uit een recent rapport van Stats SA blijkt dat één op de vijf vrouwen er te maken krijgt met fysiek geweld in huiselijke kring. De laatste tijd lijkt het geweld te escaleren: in dezelfde week als Karabo Mokoena werden er in het hele land zeker tien vrouwen verkracht en vermoord.

 

Seksueel geweld en economische ongelijkheid

In Liefdes verdriet gaat Niels Posthumus op zoek naar de oorzaken voor het geweld tegen vrouwen in de Zuid-Afrikaanse samenleving. Daarnaast behandelt het boek andere actuele thema’s, zoals materialisme in seksuele verhoudingen (‘gold digger’ zoekt ‘sugar daddy’: jonge vrouwen die het aanleggen met oudere mannen, in ruil voor cadeaus, etentjes, huur, collegegeld of beltegoed), de HIV/aidsepidemie (nog steeds is Zuid-Afrika met ca. 6,5 miljoen besmettingen koploper in de wereld) en de conservatieve houding tegenover homoseksualiteit (wat bij lesbiennes in de zwarte en bruine gemeenschap zelfs kan leiden tot ‘corrective rape’).

In zijn poging om deze fenomenen te beschrijven en te verklaren, weet Posthumus – sinds 2012 Zuid-Afrika-correspondent voor Trouw en BNR Nieuwsradio – aardig recht te doen aan de complexiteit van de Zuid-Afrikaanse werkelijkheid. Daarbij gaat hij verder dan titel en omslag van het boek doen vermoeden. Hij behandelt bijvoorbeeld ook de geografische scheiding tussen de verschillende bevolkingsgroepen, die na 1994 in veel steden is blijven bestaan. En hij heeft oog voor de economische ongelijkheid. ‘Welk probleem je ook aanroert in Zuid-Afrika’, schrijft hij, ‘vroeg of laat spelen de vernedering in het verleden, de onterechte witte privileges, de oneerlijke kansen en de kapotgemaakte sociale structuren een rol.’ Seksueel geweld ziet Posthumus dan ook vaak niet als daad van wellust, maar als uiting van frustratie en woede.

 

Het voordeel van een witte huid

Liefdes verdriet is vlot geschreven. Posthumus heeft voor dit boek interviews gevoerd met een groot aantal wetenschappers, journalisten én ervaringsdeskundigen; sommigen leren we goed kennen. Hij heeft zich grondig ingelezen en lardeert zijn verhaal met spannende statistieken (‘zelfs in 2013 voerde slechts een derde van alle Zuid-Afrikanen regelmatig een echt gesprek met iemand met een andere huidskleur’).

Daarnaast gooit Posthumus ook zijn eigen ervaringen in de mix. Zijn perceptie wordt beïnvloed doordat hij schrijft vanuit het specifieke milieu van de hippe, multiculturele kunstenaarswijk Maboneng in Johannesburg, waar, volgens zijn eigen schatting, negentig procent van de vrouwen die hij ontmoet, zwart is. Dat perspectief lijkt hem soms te verleiden tot generalisaties over ‘dé Zuid-Afrikanen’ wanneer hij alleen zwarte Zuid-Afrikanen bedoelt. Met de werkelijkheid van witte en bruine Zuid-Afrikanen – het straatbeeld van zeg maar Kaapstad, Stellenbosch of Hatfield, Pretoria – heeft hij minder affiniteit.

Hoe white privilege werkt, wordt Posthumus – en mét hem, de lezer – geestig duidelijk wanneer hij zich in het laatste hoofdstuk afvraagt waarom hij met zijn bescheiden inkomen en zijn tweedehands autootje zoveel succes heeft bij zwarte vrouwen. ‘Ik begin zowaar te twijfelen. Ik zie dunner wordend, donkerblond haar, een wat slungelachtige gestalte, ogen met een onbestemde kleur, een vale huid. Ik ben niet per se onaantrekkelijk, maar ik kan er niet omheen dat Lea vele malen knapper is. Datzelfde kan ik zeggen over bijna al mijn dates in Zuid-Afrika. Onder hen waren fotomodellen, professionele danseressen, actrices, een soapster. Zonder uitzondering waren ze ook nog eens hoogopgeleid, grappig, intelligent en ambitieus. Had mij dit lang geleden niet al aan het denken moeten zetten? Waarom vielen die knappe, succesvolle, donkere Zuid-Afrikaanse vrouwen op mij? Misschien toch omdat mijn huid wit is?’


Niels Posthumus, Liefdes verdriet. Verliefdheid, relaties en seks in het Zuid-Afrika van na de apartheid. Houten: Het Spectrum, 2017. ISBN 9789000354818. 192 p., € 19,99.


(Deze recensie is in 2018 verschenen in Zuid-Afrika Spectrum, het tijdschrift van het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam.)

dinsdag 6 juli 2021

‘Dichteres Olga Kirsch nooit gestopt met schrijven’ - Interview met biograaf Egonne Roth

 Je zou willen dat ze zich duidelijker had uitgesproken tegen het onrecht in de samenleving, zowel in haar geboorteland Zuid-Afrika als in haar tweede vaderland, Israël. Maar op de barricades staan was niets voor dichteres Olga Kirsch (1924-1997). Het is vooral de historische context van haar leven die fascineert. Een gesprek met biograaf Egonne Roth.


In de Afrikaanse literatuurgeschiedenis wordt Olga Kirsch vooral onthouden omdat zij, na Elisabeth Eybers met Belydenis in die skemering (1936), pas de tweede vrouw was die een dichtbundel in het Afrikaans publiceerde. Zowel Kirsch’ eerste bundel, Die soeklig (1944), als haar tweede bundel, Mure van die hart (1948), werden positief ontvangen. Maar daarna bleef het bijna 25 jaar stil, tot Kirsch in 1972 haar literaire comeback maakte. Tussen 1972 en 1983 zouden er nog eens vijf bundels van haar hand verschijnen.

De voornaamste oorzaak van Kirsch’ lange zwijgen is dat ze in 1948 naar Israël was geëmigreerd. Dit gegeven maakt Kirsch tot een interessant onderzoeksobject voor de Zuid-Afrikaanse Egonne Roth. Zij was in 2002 ook naar Israël verhuisd. Omdat ze regelmatig tussen beide landen heen en weer reisde, was Roth ideaal gepositioneerd om een biografie over Kirsch te schrijven. Nadat ze in 2016 aan de Bar-Ilan Universiteit in Ramat Gan, Israël, op een proefschrift over Kirsch’ leven was gepromoveerd, verscheen in 2018 bij de Zuid-Afrikaanse uitgeverij Naledi de handelseditie, Olga Kirsch: ’n Lewe in gedigte.


Joodse migranten in Zuid-Afrika

Er zijn nog meer redenen waarom Roth een sterke affiniteit met Kirsch voelt. Kirsch’ vader was een Joodse immigrant uit Litouwen die de Russische pogroms was ontvlucht. Roths vader kwam naar Zuid-Afrika nadat hij als halve Jood in Berlijn de Tweede Wereldoorlog had overleefd. Beide vaders spraken niet graag over het verleden. En Roth is net als Kirsch groot geworden in een klein dorpje op het Zuid-Afrikaanse platteland. Hoewel ze in de Kaap is opgegroeid, heeft ze in haar latere leven zelfs nog twee jaar in de omgeving van Koppies gewoond, het Vrystaatse dorp waar Kirsch vandaan kwam. Roth begrijpt Kirsch’ liefde voor het uitgestrekte Vrystaatse landschap, dat een centrale plaats in haar poëzie inneemt, dan ook precies.

Sam Kirsch, Olga’s vader, slaagde erin om vanuit het niets een klein handelsimperium op te zetten. Nadat hij in 1937, vijf dagen na Olga’s dertiende verjaardag, overleed, wist haar moeder, Eva, het familiefortuin nog uit te breiden.

In Olga’s opvoeding stonden onderwijs en cultuur centraal. Na haar middelbareschooltijd op het chique Eunice Girls High in Bloemfontein wilde Olga gaan studeren aan de Universiteit van de Witwatersrand in Johannesburg. Daarom besloot Eva in 1943 met haar vijf kinderen Koppies te verlaten en naar Johannesburg te trekken. Daar behoorden ze tot de gegoede burgerij. In Johannesburg bewoog Olga zich in dezelfde kringen als Nadine Gordimer, die in 1991 onderscheiden zou worden met de Nobelprijs voor de Literatuur, en Ruth First, de antiapartheidsactiviste die in 1982 in Maputo door een bombrief afkomstig van de Zuid-Afrikaanse regering om het leven zou worden gebracht.

Kirsch zat nog op de universiteit toen Die soeklig uitkwam. ‘Er waren heel wat conflicten rond die eerste bundel’, vertelt Roth. ‘Vanaf de jaren dertig was het antisemitisme in Zuid-Afrika sterk in opkomst. Eva was bang dat iedereen onmiddellijk aan de naam Olga Kirsch zou kunnen zien dat de schrijfster van Oost-Europese en Joodse afkomst was. Daardoor zou het boek volgens haar gedoemd zijn te mislukken. Maar Olga hield voet bij stuk. Dat was voor die tijd en gezien alles wat er op dat moment in Zuid-Afrika en de wereld gebeurde een enorm dappere keuze. Maar ze had gelijk. Ze was niet bereid om het Joodse deel van haar identiteit te verloochenen.’

Net als Ruth First, met wie ze bevriend was, was Olga tegen de apartheid. Haar tweede bundel, Mure van die hart, bevat enkele protestgedichten die de belangstelling van de veiligheidspolitie wekten. Toch zou ze nooit een activist worden. ‘Het lag niet in Olga’s aard om de barricades op te gaan’, zegt Roth. Maar als Israël in mei 1948 de onafhankelijkheid uitroept en in Zuid-Afrika minder dan een maand later de Nasionale Party aan de macht komt, waarmee apartheid het officiële regeringsbeleid werd, is voor Kirsch de keuze snel gemaakt.


blokhuis

Die fondamente van die fort was vrees,

haat het die deure een vir een gesluit.

Nou loer die bouer deur ’n skietgat uit

en durf die muurskrif agter hom nie lees.

(Uit: Mure van die hart, 1948)


Het Weizmann Instituut

Olga was pas 24 jaar oud toen ze in november 1948 in haar eentje de drie dagen durende reis ondernam. Haar ideaal was om in een kibboets te gaan wonen. Maar het primitieve leven in de kibboets viel niet mee na haar comfortabele bestaan in Johannesburg. De woonkwartieren lagen half verscholen in de heuvels vanwege aanvallen door rondtrekkende groepen Bedoeïenen. Toevallig was het ook nog eens de natste winter sinds jaren en alles ging schuil onder een laag modder.

Gelukkig was ze vóór ze naar de kibboets afreisde nog snel even voor een sollicitatiegesprek langsgegaan bij het Weizmann Instituut van Wetenschappen, een prestigieus onderzoeksinstituut in Rehovot, zo’n 20 kilometer ten zuiden van Tel-Aviv. Roth: ‘De man met wie ze dat gesprek had, zei dat hij haar geen baan wilde aanbieden, maar wel een huwelijk. Joe Gillis was verliefd op Olga vanaf die eerste ontmoeting tot aan de dag van zijn dood. En drie maanden later kwam hij haar ophalen bij de kibboets.’

Vanaf 1949 tot haar dood in 1997 zou Olga op de campus van het Weizmann Instituut blijven wonen. Een luxueuze omgeving met moderne architectuur en fraaie parken. ‘Het Weizmann Instituut was een wereld op zichzelf’, zegt Roth, ‘in dié tijd nog meer dan nu. Iedere wetenschapper daar behoorde tot de internationale top. Je kunt wel stellen dat Olga in haar eigen Israël woonde: een exclusieve wereld van het intellect.’


Het Israëlisch-Palestijnse conflict

Dit interview vond plaats enkele dagen voordat het geweld tussen het Israëlische leger en militante Palestijnen in mei 2021 weer oplaaide. Roth schrijft in haar biografie dat Kirsch na de Zesdaagse Oorlog in juni 1967 weliswaar verheugd was dat Israël gewonnen had, maar niet kon delen in de collectieve euforie. ‘Sy het nooit van haar Sionistiese oortuigings afstand gedoen nie, maar wel die metodes begin bevraagteken wat toegepas word om die veiligheid van die staat te verseker.’

Ondanks haar pacifistische inslag sprak Kirsch zich vrijwel nooit publiekelijk uit over het Israëlisch-Palestijnse conflict. Roth wijt dat niet alleen aan Kirsch’ terughoudendheid in politieke zaken die we ook in Zuid-Afrika al zagen. Haar man was de Engelsman Joseph Gillis, een wiskundige die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Bletchley Park als codebreker voor de Britse inlichtingendienst had gewerkt. In Israël werkte professor Gillis behalve voor het Weizmann Instituut tot enkele maanden voor zijn dood ook voor het ministerie van Defensie. Hoewel ze geen officieel bewijs heeft kunnen vinden, is Roth ervan overtuigd dat Gillis ‘op het hoogste niveau’ betrokken was bij kwesties die de staatsveiligheid betroffen. Door haar huwelijk met Joe wist Olga Kirsch meer dan de meeste burgers. Maar, als ze het al gewild had, maakte dat het voor haar ook moeilijker om zich uit te spreken.


Onbekende bronnen

Het was de bekende literatuurgeschiedschrijver en biograaf J.C. Kannemeyer die Roth in 2010 op het idee bracht om een biografie over Kirsch te schrijven. Binnen twee jaar wist ze een schat aan onbekend materiaal op te sporen. Olga’s jongere zus Janette bleek het manuscript te bezitten van het lange epische gedicht Nevertheless, waarvan een deel in een Amerikaans tijdschrift was gepubliceerd. In Zuid-Afrika wist men wel vaagweg van het bestaan ervan, maar niemand had het ooit gezien. Daarnaast bleken haar dochters dozen uit hun moeders boedel te hebben die ze nog nooit hadden opengemaakt. In totaal ontdekte Roth 120 tot 130 nieuwe, hoofdzakelijk Engelstalige gedichten van Kirsch.

‘Het bleek helemaal niet waar dat Kirsch bijna 25 jaar heeft gezwegen’, zegt Roth. ‘Ze ging in deze jaren door met schrijven, maar dan in het Engels. De reden waarom een deel van Nevertheless in de Verenigde Staten is gepubliceerd, is dat het in die tijd in Israël onmogelijk was om een Engelse tekst te publiceren. Je schreef in het Hebreeuws óf je gaf je werk elders uit. Begrijpelijk voor een land dat zijn eigen cultuur en een nieuwe taal wil vestigen. In dat opzicht lijkt de geschiedenis van het moderne Hebreeuws een beetje op die van het Afrikaans. Beide talen zijn ook in dezelfde tijd ontstaan.’

Tijdens Olga Kirsch’ kinderjaren in Koppies werd er thuis Engels gesproken, op school Afrikaans en in de synagoge klassiek Hebreeuws. In Israël bleef haar huistaal Engels. Daarnaast vond ze het belangrijk om vloeiend modern Hebreeuws te leren, de officiële landstaal. Het feit dat ze meerdere talen beheerste en ook in meerdere talen poëzie schreef, maakt Olga Kirsch volgens Roth interessant voor het hedendaagse meertalige en multiculturele Zuid-Afrika. Daarnaast is Kirsch volgens Roth de belangrijkste Joodse stem in de Afrikaanstalige literatuur.

Na het verschijnen van haar eerste bundel in 1944 was Kirsch bevriend geraakt met die andere Afrikaanse dichteres, Elisabeth Eybers. Eybers zou in 1961 naar Nederland emigreren, maar altijd in het Afrikaans blijven schrijven. Voor de gereserveerde Kirsch was de vriendschap met Eybers misschien wel de meest intieme in haar leven. De vrouwen onderhielden jarenlang een uiterst persoonlijke correspondentie. Ze spraken af om elkaars brieven te vernietigen, en zo gebeurde. Roth: ‘Aan Kirsch’ kant zijn er hooguit twee of drie brieven van Eybers bewaard gebleven die toevallig tussen andere papieren verzeild waren geraakt.’ 


Olga Kirsch en Elisabeth Eybers


Inwijding van het Taalmonument

Tussen 1948 en 1972 publiceerde Kirsch slechts enkele Afrikaanse gedichten. Maar vanaf 1972 brak er opnieuw een vruchtbare periode aan: tot 1983 zouden er vijf nieuwe bundels van haar hand verschijnen. Tegen het eind van deze periode begon ze echter ook weer in het Engels te schrijven, én in het Hebreeuws. De gedichten gingen soms over soortgelijke thema’s, maar het waren geen vertalingen. ‘Kirsch experimenteerde’, vertelt Roth, ‘ze onderzocht in welke taal ze zich het prettigst voelde. Maar na de desastreuze ontvangst van haar laatste bundel, Ruie tuin (1983), moet ze zich afgevraagd hebben waarom ze nog zoveel moeite deed. Een recensent schreef dat het leek alsof ze geen zin meer had gehad om de gedichten te redigeren, en ik denk dat hij gelijk had. Ze was gewoon haar drang om in het Afrikaans te publiceren kwijtgeraakt.’

We hebben al gezien dat Kirsch zich als het erop aan kwam telkens op de vlakte hield, met name wat de apartheid betreft en het Israëlische optreden in het conflict met de Palestijnen. Een problematische gebeurtenis is wanneer Kirsch ingaat op een uitnodiging om aanwezig te zijn bij de inwijding van het Afrikaanse Taalmonument in Paarl in oktober 1975. Ze werd als een beroemdheid onthaald en overal waar ze kwam werd ze door de media gevolgd. Kirsch moet beseft hebben dat de aandacht voor haar persoon een politieke lading had, want ze liet vooraf niemand weten dat ze zou komen, zodat er ook geen discussie over kon ontstaan. Volgens Roth had Joe Gillis Kirsch al vroeg in hun relatie te kennen gegeven dat hij niet geïnteresseerd was om naar Zuid-Afrika te gaan. Maar Kirsch wilde graag haar geboorteland bezoeken, en toen de kans zich voordeed, greep ze die met beide handen aan. ‘Daar kwam bij dat ze het ook wel leuk vond om weer eens als een celebrity behandeld te worden’, zegt Roth. ‘In Israël was ze volslagen onbekend.’

Roth begrijpt dat sommigen zich storen aan Kirsch’ ogenschijnlijke gebrek aan ruggengraat. Zelf onthoudt ze zich van een oordeel. ‘Ik ben biograaf, geen criticus’, verduidelijkt ze. ‘Het was háár leven, niet het mijne. Ze had geen behoefte om een strijd te strijden die niet de hare was, en dat deed ze dus ook niet. Ik heb er wel mijn vraagtekens bij, maar nu ja.’

In ieder geval voelde Kirsch volgens Roth geen bijzondere loyaliteit jegens het Afrikaner volk. ‘Ze had op school Afrikaans geleerd en ze hield van Afrikaanse literatuur, maar dat was ook waar haar Afrikaans-zijn ophield. Haar verbintenis met Zuid-Afrika heeft veel meer te maken met haar liefde voor het weidse Vrystaatse landschap. Dat was cruciaal in haar leven, in haar verbeelding, haar schrijven, haar creativiteit.’


Eigentijds antisemitisme

Roth wilde aanvankelijk aan een Zuid-Afrikaanse universiteit promoveren op haar biografie over Kirsch. Maar volgens haar had haar beoogde promotor bezwaar tegen haar aandacht voor antisemitisme in Zuid-Afrika en de focus op het Joodse element in Olga’s identiteit. Daarom is ze uiteindelijk aan een Israëlische universiteit gepromoveerd.

Maar toen ze klaar was met haar onderzoek, adviseerde een van haar begeleiders, David Attwell van de Universiteit van York, om een uitgever in Zuid-Afrika te zoeken. Roth: ‘Ik heb toen meerdere gevestigde uitgeverijen in Zuid-Afrika benaderd. Het antwoord kwam meestal al binnen een paar uur. Ze namen niet eens de moeite om naar het manuscript te kijken. Er is in Zuid-Afrika geen markt voor Olga Kirsch, kreeg ik te horen. Ik neem aan dat de uitgevers een boek over Kirsch op dat moment politiek niet opportuun vonden. Alsof ze bang waren voor het antisemitisme onder hun lezers.’

Volgens Roth krijgt ze in Zuid-Afrika vaak te horen dat ze overdrijft en dat het met antisemitisme in de jaren dertig wel meeviel. ‘Nee, er was geen antisemitisme als je weigert om de swastika’s op de Joodse winkels te zien, of de winkels die bekogeld werden met flessen en stenen’, zegt ze verontwaardigd. ‘Maar ik kreeg zulke verhalen te horen van Joden én niet-Joden. Het kwam vooral voor in de dorpen op het platteland. In de stad gebeuren bepaalde dingen soms op een iets andere manier.’

Het is te danken aan de dichter en vertaler Daniel Hugo, die zelf in 1994 ter gelegenheid van Kirsch’ zeventigste verjaardag de bloemlezing Nou spreek ek weer bekendes aan samenstelde, dat Roths biografie alsnog een Zuid-Afrikaanse uitgever heeft gevonden.

Roth vervolgt: ‘Het is een aanklacht tegen deze tijd en tegen de westerse samenleving dat Joden in landen als Frankrijk, Duitsland én Nederland het nog steeds nodig vinden om zich te beveiligen. En denk aan de vluchtelingen die aan de grenzen van Europa staan. Denk aan de ommuurde woonwijken in Zuid-Afrika. We zitten nog steeds, zoals Olga in 1948 schreef, “opgesloten tussen muren van haat”.’


Egonne Roth, Olga Kirsch. ’n Lewe in gedigte. Uit het Engels vertaald door Daniel Hugo. Naledi, 2018. ISBN: ISBN 9781928426301, R 275.

Egonne Roth, Olga Kirsch. A life in poetry. Naledi, 2020. Boek: ISBN: 9781928426301, R 275. E-boek: ISBN e-9781928518976, R 120.

Ook verschenen: Olga Kirsch: her English poetry. Introduction: Antjie Krog. [Selection by Egonne Roth]. Naledi, 2020. ISBN: 9781928518334, R275. E-boek: ISBN e-9781928518976.


Dit artikel is in mei 2021 verschenen in Spectrum, het online platform van het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam. 

dinsdag 1 juni 2021

Als magie werkelijkheid wordt

Niq Mhlongo schrijft sinds zijn debuut in 2004 gestaag voort aan een oeuvre dat steeds interessanter wordt. In zijn nieuwste roman, Paradise in Gaza, laat hij zien hoe het geloof in hekserij de levens van vele Zuid-Afrikanen beïnvloedt.


Wie Niq Mhlongo volgt op Facebook, zal zien dat deze sympathieke Zuid-Afrikaanse schrijver nog maar zelden thuis is. Mhlongo werd in 1973 in Soweto geboren en studeerde Afrikaanse letterkunde en politicologie aan de Universiteit van de Witwatersrand. Hij publiceerde vier romans: Dog Eat Dog (2004), After Tears (2007), Way Back Home (2013) en Paradise in Gaza (2020), en twee verhalenbundels: Affluenza (2016) en Soweto, Under the Apricot Tree (2018). Dit laatste boek werd in 2019 zowel bekroond met de Herman Charles Bosman Literary Prize for English Fiction en de Nadine Gordimer Short Story Award. Mhlongo nam als gastschrijver deel aan uitwisselingsprogramma’s in Duitsland en de Verenigde Staten, geeft regelmatig schrijfworkshops in binnen- en buitenland en is een graag geziene gast op internationale literatuurfestivals. Wat het Nederlandse taalgebied betreft, nam Mhlongo in 2006 deel aan het Winternachtenfestival in Den Haag, terwijl er op de website van Vlaams-Nederlands Huis DeBuren in Brussel een podcast te vinden is.


Man tussen twee vrouwen

Het wordt dus tijd om aan de hand van Mhlongo’s meest recente roman, Paradise in Gaza, nader met het werk van deze schrijver kennis te maken.

Het verhaal speelt zich af in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw. En hoewel de gebeurtenissen beginnen en eindigen in Soweto, een township bij Johannesburg, is de voornaamste plaats van handeling Gaza, een dorpje in Gazankulu, destijds een thuisland in het noordoosten van Zuid-Afrika (nu deel van de provincie Limpopo).

Aan het begin van het verhaal maken we kennis met Mpisi, die vanuit Soweto, waar hij woont en werkt, terugkeert naar zijn geboortedorp voor de begrafenis van zijn moeder. Mpisi heeft twee vrouwen: zijn eerste vrouw, Khanyisa, die in Gaza is achtergebleven, en zijn tweede vrouw, Ntombazi, die hij in Soweto heeft leren kennen. Mpisi heeft Giyani, de zoon van hem en Ntombazi, meegenomen naar het dorp. Als Giyani op raadselachtige wijze verdwijnt, moet Mpisi alleen naar Soweto terug. Ntombazi, die tijdens Mpisi’s afwezigheid is bevallen van hun tweede kind, Amu, raakt buiten zinnen als ze hoort dat Giyani vermist wordt. Ze is ervan overtuigd dat het verlies van haar oudste kind een straf is omdat zij door haar stadse leventje het contact met de voorouders heeft verwaarloosd. Ze moet gehoorzamen aan haar roeping en een opleiding volgen tot iyanga (traditionele genezer). Ntombazi’s uktuthwasa (initiatie) duurt wel tien jaar. Voor Mpisi zit er niets anders op om hun nieuwe baby, Amu, onder te brengen bij Khanyisa, die zelf enkele maanden geleden ook een kind van hem heeft gekregen.


Hekserij

Paradise in Gaza speelt zich af vóór de politieke omwenteling van de vroege jaren negentig. In de roman worden verschillende aspecten van het wrede apartheidsstelsel aangestipt, zoals de pasjeswetgeving, landonteigening, gedwongen verhuizingen, arbeidsmigratie en verscheurde gezinnen. Terwijl Mpisi in de stad lijdt onder de stakingen waardoor hij maandenlang zonder inkomen zit, worstelen Khanyisa en de twee jongens in het dorp met de gevolgen van de jarenlange droogte. ‘Paradise’ is, ironisch genoeg, de naam van de boerderij waar de dorpelingen voor een hongerloon te werk gesteld worden. Khanyisa herinnert zich nog goed dat deze grond vroeger aan haar familie behoorde.

Maar het is niet alleen de historische werkelijkheid die het leven van Mhlongo’s personages zwaar maakt. Hun beleving en handelswijze worden evenzeer bepaald door de strenge regels van het traditionele Afrikaanse geloof. De dorpelingen zijn ervan overtuigd dat Mpisi’s vader zijn moeder behekst heeft en dat Giyani weggenomen is door een reusachtige waterslang. Ntombazi doet na haar initiatie goede zaken door als waarzegster in de township de uitkomst van de protesten te voorspellen. Met dit laatste laat Mhlongo zien dat het traditionele geloof in de beschreven periode ook voorkwam in een stedelijke context. Waarschijnlijk is dit vandaag de dag nog steeds zo.


Uniek inkijkje

Het is opmerkelijk dat Mhlongo het traditionele geloof in de bijna 300 pagina’s die de roman telt, nergens afdoet als bijgeloof. In een interview op de website van de Sunday Times (8 februari jl.) vertelt hij dat hij voor dit boek uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar Afrikaanse spiritualiteit. De roman is opgedragen aan Vusamazulu Credo Mutwa, een Zoeloe sangoma die in 2020 op 99-jarige leeftijd is overleden en die veel over dit onderwerp heeft gepubliceerd.

Paradise in Gaza biedt een gedetailleerde blik op de rituelen en praktijken van deze geloofswereld. Vooral de uitvoerige beschrijving van Ntombazi’s uktuthwasa is bijzonder, omdat het hier gaat om kennis die gewoonlijk alleen met ingewijden wordt gedeeld.

Romantechnisch valt er wel een en ander op het boek aan te merken. Zo verspringt het perspectief telkens tussen de vele personages en worden verschillende spannende wendingen niet goed uitgewerkt. Door die losse flodders verlies je later je belangstelling. Ik was verrast toen de belangrijkste verhaallijnen aan het slot toch nog netjes bij elkaar werden gebracht, maar dat einde kwam te abrupt en was onvoldoende voorbereid.

Erg jammer, en vast niet alleen voor een internationaal publiek, is dat de dichtregels in het Zoeloe die als motto aan het begin van de meeste hoofdstukken staan, nergens worden vertaald. Daardoor missen lezers die het Zoeloe niet machtig zijn, waarschijnlijk een belangrijk stuk zingeving.

Natuurlijk hebben auteurs als Zakes Mda en Mandla Langa in hun romans ook elementen uit de traditionele Afrikaanse geloofswereld verwerkt. Maar anders dan bij deze oudere schrijvers zou ik bij Paradise in Gaza niet willen spreken van ‘magisch realisme’. De magie die Mhlongo hier beschrijft, is voor een deel van de Zuid-Afrikaanse bevolking nog steeds reëel. Mhlongo doet recht aan deze belevingswereld, zonder ironie of opsmuk. Dat maakt Paradise in Gaza een interessante aanvulling op de Engelstalige Zuid-Afrikaanse literatuur.


  • Niq Mhlongo, Paradise in Gaza. Kaapstad: Kwêla, 2020. ISBN: 9780795709722. Epub ISBN: 9780795709739. 304 pagina’s, prijs:  R 285.00.   


Deze recensie is in mei april 2021 verschenen in Spectrum, het online platform van het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam.

vrijdag 30 april 2021

‘Die man wat ons aan mekaar teruggegee het’: Antjie Krog schrijft versdrama over vriendschap tussen Bashotho-koning en Franse zendeling

De coronacrisis heeft ook in Zuid-Afrika de culturele sector zwaar onder druk gezet. Daarom is het onzeker of Antjie Krogs toneelstuk Met die oog op môre ooit op de planken gebracht zal worden. Maar als leestekst biedt het genoeg stof tot nadenken.



In haar onlangs verschenen versdrama Met die oog op môre keert Antjie Krog terug naar een onderwerp dat haar al jaren na aan het hart ligt: de relatie tussen Basotho-koning Moshoeshoe I (ca. 1786-1870) en de Franse zendeling Eugène Casalis (1812-1891). Krog beschreef hun vriendschap, als je het zo kunt noemen, al eerder in haar non-fictieboek Begging to Be Black (2009).


Een koninkrijk van ‘omgee’

Moshoeshoe was een opmerkelijke leider. Tijdens de Mfecane (ca. 1815-1835), een periode van grote volksverhuizingen die gepaard gingen met bloedige botsingen tussen de verschillende stammen, wist Moshoeshoe veel van deze op drift geraakte volken aan zich te binden. In de weergave van Krog deed hij dit onder meer door ervoor te zorgen dat niemand in zijn rijk honger leed, dat jongemannen die wilden trouwen voldoende koeien hadden voor lobola (bruidsschat) en door zelf te trouwen met de dochters van zijn vijanden. Een bekend voorbeeld van zijn ruimhartigheid is het feit dat hij drie kannibalen die zijn grootvader opgegeten hadden, niet vermoordde, maar ze in zijn nabijheid liet wonen en erop toezag dat het ze aan niets ontbrak. Zijn verklaring voor dit besluit was dat de kannibalen zijn grootvader in zich droegen en dus familie waren. ‘Die manier waarop ’n mens die skadelike onskadelik maak’, laat Krog Moshoeshoe zeggen, ‘is belangrik vir die pad waarin ons wil hê ons toekoms vorentoe moet loop.’

Moshoeshoe heeft, zoals de titel van het toneelstuk al aangeeft, altijd het oog op morgen. Wat hem verontrust, is dat er steeds vaker blanken over het grondgebied van de Basotho trekken. Daarom nodigt hij de jonge Franse zendeling Eugène Casalis uit om onder de Basotho te komen wonen. Casalis moet namens Moshoeshoe onderhandelen met de koloniale overheid en een brug vormen tussen de Basotho en een ‘aanspreiende wit wêreld’.

Moshoeshoe heeft er geen probleem mee dat Casalis zijn onderdanen probeert te bekeren. Hij verplicht ze zelfs om naar de wekelijkse diensten te komen en zit dan zelf vooraan in de kerk. Maar Moshoeshoe koestert slechts een intellectuele nieuwsgierigheid naar het christendom. Hij vindt het leuk om met Casalis te discussiëren over morele vraagstukken. Als God almachtig is, waarom heeft de mensheid dan nog altijd geweren nodig? En is Jezus niet gewoon een van de voorouders? Moshoeshoe zou zijn leven lang blijven weigeren zich te laten dopen. Als koning belichaamde hij de tradities van zijn volk en kon hij zich niet overleveren aan een Europese religie. Via Casalis en de zendelingen van andere denominaties die later kwamen, hoopte hij ook de Europeanen op een vreedzame manier in zijn invloedssfeer te brengen. Het was een strategie die voortkwam uit het Afrikaanse geloof in de onderlinge verbondenheid van alle mensen met elkaar, met de voorouders en met alle dingen op aarde.

Eugène Casalis bleef ongeveer twintig jaar in Basotholand. In die periode liep de spanning tussen de Basotho en de kolonisten – eerst de Engelsen, later de Boeren – steeds verder op. Voor Moshoeshoe, die altijd bereid was om anderen in de welvaart van de Basotho te laten delen, was het ondenkbaar zijn territorium op te splitsen. Casalis deed wat hij kon om Moshoeshoe bij te staan, maar tevergeefs. De Europeanen begrepen niets van Moshoeshoes ‘koninkryk van omgee’.


‘Witte ogen’

In een interview met Melt Myburgh op LitNet vertelt Krog dat ze aan Met die oog op môre is begonnen tijdens een schrijfresidentie in Amsterdam. Het wordt niet geëxpliciteerd, maar het lijkt logisch dat de titel van het toneelstuk een knipoog bevat naar het bekende Nederlandse radioprogramma.

In hetzelfde interview bekent Krog dat ze lang gedacht heeft dat niet zíj, maar iemand anders een versdrama over Moshoeshoe moest schrijven. Hoe zou zij, als witte vrouw, kunnen weten wat Moshoeshoe gevoeld en gedacht heeft? Uiteindelijk waren het de Belgische schrijver Tom Lanoye, van wie Krog eerder de toneelstukken Mamma Medea en Koningin Lear in het Afrikaans vertaalde, en de Zuid-Afrikaanse beeldend kunstenaar William Kentridge die haar overtuigden om door te gaan.

Veel van wat we over het leven van Moshoeshoe weten, danken we aan de dagboeken en memoires van Eugène Casalis. Daarnaast heeft Krog zoveel mogelijk studies van zwarte historici over Moshoeshoe en zijn tijd gelezen. Dat hielp haar om een gebalanceerd perspectief te krijgen. Het thema van de ‘white’ of ‘imperial gaze’ wordt uitgedrukt in het citaat uit Franz Fanons Black Skin, White Masks (1952) dat als motto voor in het boek staat en dat als wanhoopskreet van Moshoeshoe in het vierde bedrijf terugkeert. Ook het witte raamwerk op het toneel, dat af en toe door de zwarte personages een stukje afgebroken wordt maar dan door de witte personages weer hersteld, symboliseert die meedogenloze ‘witte blik’. Het is duidelijk dat Krog zich Moshoeshoes geschiedenis niet lichtelijk toegeëigend heeft.

‘Hoe dit ookal sy’, verklaart de schrijfster in het interview met Myburg, ‘uiteindelik gaan hierdie stuk nie oor swart nie, maar is ’n verkenning en ondersoekspoging na die moontlikheid van vriendskap, begrip en selfs liefde oor rasgrense heen teen ’n agtergrond van geweldige onreg.’  


‘Bring julle ore’

De Afrikaanstalige literatuur telt een aantal indrukwekkende versdrama’s, zoals Periandros van Korinthe van D.J. Opperman (1954) en Germanicus van N.P. van Wyk Louw (1956). Met Met die oog op môre plaatst Antjie Krog zich in deze traditie, maar dekoloniseert ze die ook. Want anders dan Louw en Opperman ontleent Krog haar onderwerp niet aan oude Europese verhalen, maar aan de geschiedenis van het Afrikaanse continent.

De tekst is gedeeltelijk geschreven in jambische versregels, afgewisseld met passages in de stijl van het Afrikaanse prijslied, een genre dat we kennen van Krogs bijzondere vertaalproject Met woorde soos met kerse uit 2002. De prijsliederen blijven de lezer verrassen met hun mitrailleurvuur aan treffende typeringen. Moshoeshoe wordt bijvoorbeeld de ‘Saam-snoerder’ genoemd, en de ‘Toevlugsgrot’ voor armen en bejaarden (‘Ook konings kom hier woon’). Maar over het algemeen heeft deze tekst helaas niet de poëtische kracht van Krogs zelfstandige gedichten. De functie van de Beckettiaanse personages Maeder en Arbousset is onduidelijk en doet, op papier althans, gekunsteld aan.

Met die oog op môre zal dan ook vooral onthouden worden vanwege Moshoeshoes wijsheid (‘As ons mekaar beseer, beseer ons die aarde’), de delicate vriendschap van de oude koning en de jonge missionaris, en de tragiek van een vorst die zijn rijk vertrapt ziet worden door zogenaamd beschaafde naties die zijn cultuur niet verstaan.

  • Antjie Krog, Met die oog op môre. ’n Versdrama. Pretoria: Protea Boekhuis, 2020. ISBN:  978-1-4853-1125-6. 96 bladzijden, prijs: R200.

Deze recensie is in maart 2021 verschenen op Spectrum, het digitale platform van het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam. 

dinsdag 30 maart 2021

Thomas Pringle was een held. Of toch niet?

Tegenwoordig kennen we hem alleen nog maar als ‘vader’ van de Engelstalige Zuid-Afrikaanse poëzie. Maar in zijn eigen tijd was Thomas Pringle een held die zich verzette tegen het koloniale bewind en die opkwam voor slaven en onderdrukte volken. Hoewel je zoiets nooit met zekerheid kunt zeggen. In Still Life verkent Zoë Wicomb de verschillende manieren waarop er begin eenentwintigste eeuw over Pringle wordt gedacht.


De Zuid-Afrikaanse schrijfster Zoë Wicomb (1948) groeide op in Namakwaland. Na haar studie aan de Universiteit van Wes-Kaapland, onder de apartheid een universiteit voor ‘Kleurlingen’, vertrok ze in 1970 naar Groot-Brittannië. Begin jaren negentig keerde ze tijdelijk terug naar Zuid-Afrika, maar sinds 1994 woont ze opnieuw in Glasgow, waar ze tot haar emeritaat in 2009 hoogleraar Creatief Schrijven was aan de Universiteit van Strathclyde. Daarnaast was ze tussen 2005 en 2011 buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit Stellenbosch.


Als schrijfster debuteerde Wicomb in 1987 met de verhalenbundel You Can’t Get Lost in Cape Town. Daarna volgden de romans David’s Story (2000), Playing in the Light (2006) en October (2015), een tweede verhalenbundel, The One That Got Away (2008), en een bundel opstellen, Race, Nation, Translation: South African essays, 1990-2013 (2018). David’s Story werd in 2001 bekroond met de M-Net Prize. Wicombs werk wordt regelmatig genomineerd voor literaire prijzen, zowel in Zuid-Afrika als internationaal.


‘Vader van de Zuid-Afrikaanse poëzie’


Wicombs romans en verhalen hebben vaak een autobiografische inslag. Dat geldt ook voor haar nieuwste roman: Still Life (2020). De primaire verteller is een vrouw die duidelijke overeenkomsten met Wicomb vertoont: een Zuid-Afrikaanse die in Schotland woont en haar tijd verdeelt tussen lesgeven en schrijven. De vrouw moet een biografie schrijven over een historische figuur die de reis in omgekeerde richting gemaakt heeft, ván Schotland náár Zuid-Afrika. Het gaat om niemand minder dan Thomas Pringle, in de woorden van een bewonderaar ‘the Father of South African poetry, Defender of a Free Press, Archenemy of the Cape Governor, Lord Charles Somerset, and as an Abolitionist, an enemy of all slavers’.


Het levensverhaal van Thomas Pringle (1789-1834) is inderdaad fascinerend. Op voorspraak van zijn vriend Sir Walter Scott kwam Pringle in 1820 naar Zuid-Afrika als leider van een groep Schotse migranten. Doordat hij slecht ter been was, was hij niet geschikt voor het harde boerenbestaan in de Oostkaap. Hij vond werk in de South African Library in Kaapstad, richtte een school op en werd redacteur van twee kranten. Zijn kritiek op het koloniale bestuur bracht hem in conflict met gouverneur Lord Charles Somerset. Deze probeerde de kranten te verbieden, maar de strijd hierover, die in Engeland werd uitgevochten, zou uiteindelijk leiden tot persvrijheid in Zuid-Afrika. Pringle moest echter berooid terugkeren naar Londen, waar hij secretaris werd van de Anti-Slavery Society. Het was mede aan Pringle te danken dat in augustus 1834 de wet voor afschaffing van de slavernij werd aangenomen. Het daadwerkelijke einde van de slavernij in 1838 zou hij niet meer meemaken, en ook Zuid-Afrika zou hij nooit meer terugzien. Pringle overleed in december 1834 op 45-jarige leeftijd aan tuberculose. Hij werd begraven in Londen, maar in 1970 werd zijn lichaam naar Zuid-Afrika overgebracht en herbegraven op de boerderij van zijn familie in de Oostkaap. In Groot-Brittannië is Pringle nagenoeg vergeten, maar in Zuid-Afrika leeft hij nog voort, als grondlegger van de Engelstalige Zuid-Afrikaanse poëzie.


Pringles pleitbezorgers


De schrijfster in Still Life heeft een hard hoofd in de onderneming. Moet zíj als bruine vrouw een boek schrijven over de zoveelste dode witte man? Alsof geschiedschrijving (‘history’) begin eenentwintigste eeuw nog steeds niets anders is dan ‘his story’…


Gelukkig krijgt ze hulp van een groep merkwaardige wezens, ‘powdery phantoms that stir and falter in the dark’. Als lezer van Zuid-Afrikaanse magisch-realistische literatuur ben je al snel geneigd te denken dat hier de voorouders weer om de hoek komen kijken. Maar het literaire spel dat Zoë Wicomb in deze roman speelt, is meer geraffineerd. Deze vrienden van Thomas Pringle, die het hoog tijd vinden dat hun held en weldoener de eer krijgt die hem toekomt, zijn niet ontleend aan de geschiedenis, maar aan teksten.


Zo krijgt de schrijfster advies van Hinza, de hoofdpersoon van ‘The Bechuana Boy’, een van de weinige gedichten van Thomas Pringle dat nog gelezen wordt doordat het in allerlei bloemlezingen is opgenomen. Hinza beschouwt zichzelf als medeschepper van het gedicht en als aangenomen zoon van ‘Mr P’. Een tweede informant is Mary Prince. Mary Prince was een zwarte slavin afkomstig van de West-Indische eilanden. Ze liep weg toen haar baas en zijn gezin met Mary op bezoek waren in Londen. Pringle nam haar in huis en betaalde uit eigen zak voor de publicatie van Mary’s levensverhaal, The History of Mary Prince (1831). Het boek leidde tot twee geruchtmakende rechtszaken en speelde een belangrijke rol in de Britse discussie over afschaffing van de slavernij. Dat Mary haar opwachting maakt in Still Life, is dus niet omdat zij Pringle in het echte leven gekend heeft, ze is een van die ‘ghostly figures in whose making he had a hand’. Dat geldt ook voor de derde informant, Vytjie Vaal, een personage uit Pringles gedicht ‘The Emigrant’s Cabin’.


Eerlijk gezegd hebben ook de geestverschijningen er weinig fiducie in dat de schrijfster het project tot een goed einde zal brengen. ‘Can this woman be trusted with the task’, vragen ze zich af, ‘this story that is neither fish nor fowl, neither fact nor fiction?’


Daarom halen ze er nóg een schrijver bij, van dezelfde onstoffelijke makelij als zij. Dit keer niet een van Pringles eigen creaties, maar Sir Nicholas Greene, een personage uit de roman Orlando (1928) van Virginia Woolf. Dit is een bijzonder interessante intertekst voor Still Life, omdat de jonge edelman Orlando bij Woolf, na zijn verblijf aan het hof van koningin Elizabeth I (1533-1603) nog driehonderd jaar voortleeft en telkens weer in een volgende eeuw opduikt, zonder zichtbaar te verouderen. Dat lijkt wel een beetje op de manier waarop Hinza, Mary en Sir Nick ongehinderd door het eenentwintigste-eeuwse Londen bewegen. Daarbij is Orlando ook, net als Still Life, een roman waarin het schrijverschap en verschillende representaties van de werkelijkheid centraal staan. 


De moed om van gedachten te veranderen


Helaas heeft Sir Nick (‘known throughout the literary world as a failed poet turned critic’) weinig interesse voor Pringles verhaal. Hij is een typische vertegenwoordiger van de conservatieve Britse upper class, die Pringles leven en streven beoordeelt vanuit zijn eigen beperkte perspectief.


Dat brengt ons bij het thema van de roman. Was Pringle een held die opkwam voor slaven en onderdrukte volken, zoals Hinza en Mary geloven? Hoe zuiver waren zijn intenties? Niet alleen heeft iedereen een ander beeld van hem; de verschillende visies verschuiven ook door de jaren heen.


Wat het nog ingewikkelder maakt, is dat er bij Pringle zelf sprake was van voortschrijdend inzicht én dat hij als schrijver de gewoonte had zijn eigen teksten eindeloos te herzien. Als jonge en ambitieuze dichter in Schotland was hij nog typisch een kind van zijn tijd en zijn klasse. In Zuid-Afrika begonnen zijn ideeën over de onderdrukking van slaven en de oorspronkelijke bewoners van de Oostkaap te veranderen; hij kreeg steeds meer moeite met zijn eigen positie binnen het koloniale project. En uiteindelijk zou hij door zijn conflict met Somerset verder radicaliseren.  


De verwarring over de vraag wie Thomas Pringle was en waar hij voor stond, zien we het duidelijkst bij Hinza. Volgens het gedicht ‘The Bechuana Boy’ had Pringle de jongen in het veld aangetroffen en zich over hem ontfermd. Hinza beschouwde Pringle sindsdien als vader en vriend en hij is trots op het gedicht dat hen met elkaar verbindt. Maar tijdens het werk aan de biografie begint hij te twijfelen. Waarom heeft Pringle hem bijvoorbeeld naakt en zonder schoenen uitgebeeld, als een smekeling, met een springbok aan zijn zij? ‘Could it be that I was indeed no more than a pet to him?’


Intellectueel avontuur


Still Life voldoet aan alle verwachtingen van een postmoderne en postkoloniale roman. Wicomb speelt een uiterst vernuftig spel. De manier waarop ze Pringle en zijn personages tot leven heeft gebracht – gelegitimeerd door de allusies op Woolfs Orlando – is verrassend en het onderlinge gekissebis en geflikflooi tussen Hinza, Mary en Sir Nick buitengewoon amusant. Het boek mist een sterke dramatische ontwikkeling; er gebeurt weinig. Maar zijn pleitbezorgers hadden gelijk: Thomas Pringle verdiende het inderdaad om aan de vergetelheid en de hedendaagse cancel culture onttrokken te worden. En met Still Life neemt Zoë Wicomb de lezer van de eerste tot de laatste bladzijde mee op een prikkelend intellectueel avontuur. 



Zoë Wicomb, Still Life. Century City: Umuzi / Penguin SA, 2020. 269 pagina’s. ISBN: 9781415210536 (boek); 9781415210666 (e-boek) 


Deze recensie is in februari 2021 gepubliceerd in Spectrum, het online platform van het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam.

woensdag 30 december 2020

Pleidooi tegen politieke correctheid

In de laatste jaren van zijn academische loopbaan heeft Etienne van Heerden de studentenprotesten aan de Universiteit van Kaapstad van dichtbij meegemaakt. In zijn nieuwe roman beschrijft hij de onlusten op de campus als symptoom van een overgangstijdperk. De oude orde heeft afgedaan, maar niemand weet nog hoe de nieuwe werkelijkheid eruit zal zien. Of toch?

 


Volgens de wereldberoemde Zuid-Afrikaanse misdaadschrijver Deon Meyer is het geheim voor een geslaagde thriller dat er al op de eerste bladzijden van het boek een lijk voorkomt. In Etienne van Heerdens magistrale nieuwe roman Die biblioteek aan die einde van die wêreld wordt de lezer in de eerste twee hoofdstukken vergast op een mysterieuze kruisboogschutter die in Kaapstad willekeurige slachtoffers lijkt te maken én op een lichaam dat in Shanghai bij de promenade langs de rivier aanspoelt.

Deze thrillerelementen geven de omvangrijke roman (640 pagina’s!) onmiddellijk een zekere spanning. Toch is het boek niet plot-gedreven, maar idee-gedreven. Van Heerden geeft een beeld van de anarchie die heerste in de nadagen van het presidentschap van Jacob Zuma. Daarnaast houdt de roman een niet mis te verstane waarschuwing in voor onze huidige tijd.

 

‘Data zijn de nieuwe olie’

Het verhaal heeft twee hoofdpersonages. De eerste is Ian Brand, zoon van een projectontwikkelaar die in het oude Zuid-Afrika rijk is geworden dankzij zijn banden met de apartheidsregering. Over het algemeen heeft Ian zijn leven keurig op orde, al heeft hij soms last van traumatische herinneringen aan zijn tijd als soldaat in de Grensoorlog.

            Ian is een jurist die gespecialiseerd is in gezichtsherkenning en andere vormen van kunstmatige intelligentie, en de impact van deze moderne technologie op de privacy van burgers. Wat zijn de risico’s wanneer al onze gegevens op straat liggen? Wie is er verantwoordelijk als ons leven bepaald wordt door algoritmes? Welke machtige partij schuilt daarachter en wat is die met ons van plan?

            Naast zijn werk volgt Ian colleges Vertaalkunde aan de Universiteit van Kaapstad. Zo belandt hij middenin de studentenprotesten van de FeesMustFall-beweging. Deze protesten begonnen met het omverhalen van het standbeeld van Cecil John Rhodes op de campus in 2015. Inmiddels eisen de studenten de volledige dekolonisatie van de universiteit. Niet alleen de inrichting van de openbare ruimte, maar ook het curriculum en het lesgeven van de docenten staan ter discussie. De sfeer is explosief; elk college kan in geweld ontaarden.

Typisch voor de opstelling van de ‘Vallisten’ is hun woede jegens de kunstwerken die op de campus te zien zijn. Volgens de studenten weerspiegelen ze een verfoeilijke koloniale mindset; ze kunnen nog maar net van de brandstapel gered worden. Dat er ook schilderijen tussen zitten van Breyten Breytenbach en andere kunstenaars die aan de goede kant gevochten hebben, weet bijna niemand meer. De studenten willen dat de universiteit een ‘safe space’ wordt waar niemand zich gekwetst of gediscrimineerd hoeft te voelen.

Ian, daarentegen, stamt uit een traditie waarin kunst dissident en taboedoorbrekend móest zijn. Als Afrikaner is hij op de Engelstalige campus toch al een vreemde eend in de bijt. Hoewel hij zichzelf nooit met de Afrikaners heeft willen associëren, duwt zijn liefde voor zijn taal hem in deze omgeving niettemin in een specifieke richting. Het Afrikaans wordt zijn ‘etniese merker. Die kaïnsmerk.’ Als prototypische Afrikaner moet Ian de schuld van een heel volk op zich nemen.

 

‘Ons eet lekker’

Tijdens de colleges komt Ian in contact met het tweede hoofdpersonage van de roman, Thuli Khumalo, een van de leiders van het studentenprotest. Thuli is de dochter van de voormalige Struggle-activist Cat Khumalo, die na terugkeer uit ballingschap is opgeklommen tot minister en tot rechterhand van ‘Nommer Een’: president Jacob Zuma. Khumalo’s favoriete uitdrukking is ‘Ons eet lekker’, ofwel: na de opofferingen uit het verleden is de tijd aangebroken om het er eens flink van te nemen. Volgens Thuli heeft de generatie van haar vader de revolutie verraden; het is aan de Vallisten om de bevrijdingsstrijd verder te voeren.

De losse structuur van de roman stelt Van Heerden in staat om het verhaal te larderen met verwijzingen naar bekende nieuwsgebeurtenissen uit Zuma’s laatste jaren als president. Corruptie en staatskaping; de miljoenen verslindende verbouwing van zijn privéwoning Nkandla; de dienstleveringsprotesten, grondonteigening, plaasmoorde, bendegeweld, ‘White Monopoly Capital’, de SABC8 en natuurlijk de tweets van voormalig DA-leider Helen Zille... Voor wie de berichten uit Zuid-Afrika gevolgd heeft, is de roman een feest van herkenning.

 

‘Domeine van dophou’

Na een schokkende ontdekking vertrekt Thuli op een missie naar China. Daar belandt ze in een samenleving die beheerst wordt door kunstmatige intelligentie, ‘die realiteit van die toekoms’, een wereld waar ‘jy as jy’ (het individu) overbodig is geworden.

Lezers die vertrouwd zijn met het magisch-realistische element in Van Heerdens oeuvre, zullen misschien denken dat de schrijver hier de realiteit heeft losgelaten en zijn fantasie de vrije teugel heeft gegeven.

Helaas is niets minder waar. Van Heerden ként China, hij heeft het land meermaals bezocht, en de roman houdt wel degelijk een waarschuwing in. Is China niet bezig om met zijn technologie het Afrikaanse continent opnieuw te koloniseren? En wat wordt er van ons, in de rest van de wereld, als we toestaan dat onbekende machten alles over ons te weten komen?

 

Woorden als wapens

Ian komt steeds verder in de problemen. In zijn isolement droomt hij van een bibliotheek ‘aan die einde van die grondpad’, ergens in een afgelegen dorpje in de Karoo: een bewaarplek voor boeken en kunstwerken die een ouderwets beschavingsideaal vertegenwoordigen dat sindsdien uit de mode is geraakt.

Bij de discussies die tijdens de colleges Vertaalkunde gevoerd worden, heeft Thuli gewoonlijk het laatste woord. Iedere redenatie loopt vast als je er telkens aan herinnerd wordt dat er daarbuiten mensen rondlopen die honger hebben. Volgens Van Heerden is Thuli’s agressie vergelijkbaar met een gummiknuppel, een pepperspray of zelfs een molotovcocktail.

Van Heerden beschrijft een overgangstijd waarin oude waarden onherroepelijk teloor gaan terwijl niemand nog weet wat ervoor in de plaats zal komen. In het licht van de explosieve situatie die er jarenlang op de Zuid-Afrikaanse universiteitscampussen heeft geheerst, is Die biblioteek aan die einde van die wêreld een gewaagd boek. De personages nemen controversiële standpunten in; de vele absurdistische bijfiguren vormen een koor van stemmen en tegenstemmen.

Om te voorkomen dat het boek hetzelfde lot zou ondergaan als de kunstwerken op de campus die bijna op de brandstapel waren beland, is het manuscript voor publicatie door meerdere lezers zorgvuldig doorgenomen. Ook zijn er aan begin en eind duidelijke disclaimers opgenomen die er geen twijfel over laten bestaan dat het verhaal, ondanks de verwijzingen naar de Zuid-Afrikaanse actualiteit, in laatste instantie op fictie berust. Het feit dat het personage Saartjie Windvoël uit de eerdere romans In stede van die liefde (2005) en Klimtol (2014) in Die biblioteek aan die einde van die wêreld opnieuw haar opwachting maakt, bevestigt het fictionele karakter van het boek.

Voor zover bekend heeft Van Heerden het dan ook niet nodig gehad om, zoals Ian in het boek, door een wc-raampje te klauteren om te ontsnappen aan verontwaardigde lezers. Wel werd deze tour de force terecht bekroond met de UJ-prys vir Skeppende Skryfwerk 2020.


Etienne van Heerden, Die biblioteek aan die einde van die wêreld. Kaapstad: Tafelberg, 2019. ISBN: 9780624089216. 624, prijs:  R 360. (Tevens via Bol.com beschikbaar als e-boek.)


Deze recensie is in november 2020 verschenen op Spectrum, het online platform van het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam.


maandag 30 november 2020

Wat deed Paul Kruger op de Wereldtentoonstelling in Parijs?

Renée Conradie Rautenbach heeft voor Met die Vierkleur na Parys een fascinerende achtergrond gekozen. Haar hoofdpersoon, de jonge architect Paul Roux, arriveert begin 1900 vanuit Pretoria in Parijs om te werken bij het paviljoen van de Zuid-Afrikaansche Republiek (ZAR, ook bekend als Transvaal) op de Wereldtentoonstelling die dat jaar in de Franse hoofdstad plaatsvindt. De tentoonstelling verheerlijkt de technologische verworvenheden van de voorbije eeuw en werpt een blik vooruit op alle nieuwe ontwikkelingen die de volgende eeuw zal brengen. Het publiek kan kennismaken met moderne uitvindingen als de geluidsfilm, de dieselmotor en de loopband (trottoir roulant). In de stad verrijzen indrukwekkende nieuwe bouwwerken zoals de Pont Alexandre-III, het Petit Palais, het Grand Palais, het Gare de Lyon en het Musée d’Orsay (toen nog een treinstation). Ook wordt in deze periode de eerste Parijse metro in gebruik genomen. Zijn avonden brengt Roux door in het zwierige kunstenaarswereldje op Montmartre, waar in de kroegen de cancan gedanst wordt en waar de schilder Toulouse-Lautrec een bekende verschijning is. 



De opwinding van het mondaine Parijs staat in schril contrast met de situatie in de ZAR, die in de greep is van de Zuid-Afrikaanse Oorlog. De Britten veroveren Pretoria, de Transvaalse regering slaat op de vlucht en de bejaarde president Paul Kruger gaat in ballingschap, in de hoop in Europa steun te vinden voor de Boerenzaak.

Paul Roux is geboren in de Kaap, opgegroeid op een wijnboerderij in de Drakensteinvallei en opgeleid door de beroemde Britse architect Herbert Baker. Na een liefdesteleurstelling is Roux drie jaar geleden naar Pretoria getrokken om te helpen bij de bouw van een aantal monumentale nieuwe overheidsgebouwen onder leiding van de Nederlandse architect Sytze Wierda. Als Kapenaar is Roux in Pretoria een buitenstaander en hij moet niets hebben van het deftige sfeertje van de kliek die president Kruger om zich heen verzameld heeft en die door de historicus P.J. van Winter aangeduid is als ‘Krugers Hollanders’.

In Parijs begint Roux zich echter steeds meer verbonden te voelen met het lot van de Boeren, zeker wanneer zijn zwager besluit om zich als Kaapse Rebel bij de strijd aan te sluiten. Op de Wereldtentoonstelling is Roux verantwoordelijk voor een replica van een eenvoudige Voortrekkerswoning. Terwijl ook in Frankrijk, net als in Nederland, de Boerenliefde een steeds hogere vlucht neemt, wordt Roux’ boerenhuisje, te midden van alle technische hoogstandjes en sierlijke Art Nouveau, de meest geliefde attractie van de tentoonstelling. Dit is de plek waar bezoekers bloemen bij het borstbeeld van ‘Oom Paul’ leggen en emotionele steunbetuigingen op de muur kalken.


Onder Krugers Hollanders    

Paul Roux is een fictieve figuur. Het boek vertelt het verhaal van zijn relatie met Miriam, die haar conservatieve Joodse familie in Kaapstad achterlaat om zich bij Paul in Parijs te voegen. Voor de twee kunnen trouwen, moeten er nog wel enkele obstakels overwonnen worden. Want door de roes van al het nieuwe én door de absint die op Montmartre rijkelijk vloeit, is Paul voor Miriams komst lelijk in de problemen geraakt. 

Wat de roman boeiend maakt, is dat Roux in contact komt met verschillende historische figuren. Hij is erbij als Paul Kruger in november 1900 in Marseille voet aan wal zet – een gebroken man, niet opgewassen tegen de moderne tijd en de hysterische meutes die hem overal in Europa staan op te wachten. Roux dineert in het Ritz met het driemanschap van de Eerste Delegatie. En door zijn werk komt hij regelmatig in aanraking met ‘Krugers Hollanders’. Veel van deze Nederlanders hebben ook een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van het Zuid-Afrikahuis en de organisaties die daar gevestigd waren, zoals de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging (NZAV), de Zuid-Afrikaanse Stichting Moederland (ZASM, een voortzetting van de Zuid-Afrikaanse Spoorwegmaatschappij) en de Voorschotkas. Het is vermakelijk – en soms een feest der herkenning – om te lezen hoe Roux hen ziet. Over de jurist W.J. Leyds, die als staatssecretaris van de ZAR ook wel Krugers ‘rechterhand’ genoemd werd en die tijdens de oorlog als gezant van de ZAR de vorstenhoven van Europa afreisde om steun te zoeken voor de Boeren, schrijft Rautenbach bijvoorbeeld: ‘Doktor Leyds het nie ’n haar uit sy plek nie en sy gemodelleerde snorpunte steek ver by sy wange verby.’ Meer sympathie heeft Roux voor Nicolaas Mansvelt, de Superintendent van Onderwijs van de ZAR, die met zijn expositie over het Transvaalse onderwijsstelsel op de Wereldtentoonstelling een Grand Prix in de wacht zou slepen: ‘Selfs die belangrike doktor Mansvelt […] begin bedremmeld lyk.’ Nadat Mansvelt door de Engelsen uit Pretoria verbannen was en berooid in Nederland was teruggekeerd, voorzag hij in het onderhoud van zijn kroostrijke gezin met een veelheid van baantjes als secretaris of bestuurslid van onder meer de NZAV, de Voorschotkas en het Studiefonds voor Zuid-Afrikaansche Studenten.


Naar een nieuwe tijd

Renée Conradie Rautenbach kwam op het idee voor deze roman toen ze met haar echtgenoot, een diplomaat, twee termijnen in Marseille en Parijs woonde. Het materiaal dat ze in Frankrijk kon verzamelen, gebruikte ze in 2010 voor een masterscriptie Creatief Schrijven bij Henning Pieterse aan de Universiteit van Pretoria. Tien jaar later zou ze dit project tijdens een van de befaamde Talking Table-schrijfworkshops van uitgever Frederik de Jager en schrijfster Marita van der Vyver op het Griekse eiland Lesbos nieuw leven inblazen.

Rautenbachs oorspronkelijke scriptie staat nog steeds op internet. Uit die scriptie blijkt dat Rautenbach in haar roman het concept ‘liminaliteit’ heeft willen verkennen. ‘Liminaliteit’ is een term uit de literatuurwetenschap die gebruikt wordt om een grensgebied of een overgangsfase aan te duiden. Paul Roux verkeert voortdurend in zo’n grensgebied, eerst als Kapenaar in Pretoria en daarna als Afrikaner in de wereldstad Parijs. Door het verlies van vaste waarden dreigt hij op het slechte pad te raken, maar uiteindelijk komt het toch goed; hij gaat inzien dat hij terug wil naar Zuid-Afrika, om dichter bij zijn mensen en de oorlog te zijn. Ook de ZAR bevindt zich in een overgangsperiode, van vrije republiek naar Britse overheersing en van agrarische samenleving naar moderne tijd.

Rautenbach heeft een prachtig onderwerp aangeboord, maar ze is als schrijfster nog niet bedreven genoeg om dat volledig te benutten. Maar haar uitbeelding van de vergeefsheid van de missie van Leyds en de delegatie, en van de ontreddering van Kruger wanneer hij op de Wereldtentoonstelling Roux’ Voortrekkerswoning aandoet, is interessant en bij vlagen aandoenlijk.  


Renée Conradie Rautenbach, Met die Vierkleur na Parys. Pretoria: Protea Uitgewers, 2020. ISBN 9781485311355. 248 pagina’s, geïllustreerd, prijs: R195. 


Deze recensie is in oktober verschenen op Spectrum, het online platform van het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam.